Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0068

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIE - BEWIJS

Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.

Wat betreft de tuchtinbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” is de klachtencommissie van oordeel dat uit het eerste RAD duidelijk blijkt dat er een sterke wietgeur door meerdere beambten werd waargenomen en klager bovendien met rood doorlopen ogen loom op zijn bed zat en suf reageert op de vragen van de beambten. De combinatie van de waargenomen geur en deze uiterlijke tekenen is volgens de klachtencommissie voldoende om deze feiten bewezen te verklaren. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de stelling van klager dat de waargenomen geur enkel die van verbrande appelsienschillen zou zijn geweest, zoals hij tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in zijn klacht stelt. De geur van verbrande appelsienschillen en de geur van wiet verschilt immers aanzienlijk, zodoende de beambte het onderscheid, zeker na hun opleiding drugsherkenning, wel degelijk correct kunnen maken. Bovendien werd er een celcontrole uitgevoerd waarbij bleek dat de deur was toegestopt met kledij. De directie mocht hier volgens de klachtencommissie terecht uit afleiden dat klager zo de bedoeling had om, gelet op alle andere elementen in het dossier, geurverspreiding tegen te gaan. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten.

Wat betreft de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” is de klachtencommissie van oordeel dat voldoende bewezen is dat klager voorwerpen op cel had (namelijk het gemanipuleerde scheermesje) die volgens het huishoudelijk reglement verboden zijn. Het RAD is hierover duidelijk en klager betwist ook niet dat hij dit op zijn cel had, maar stelt enkel tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij dit gebruikt om zijn nagels te knippen. In zijn klacht betwist klager enkel de waargenomen geur, en stelt hij niets over de gevonden voorwerpen. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid twee tuchtinbreuken kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van zeven dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten en het uitgebreid tuchtrechtelijk verleden van klager in verband met verboden substanties.