Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0073

Gegrond KC - Beveren Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - TOEREKENBAARHEID

De aanleiding voor de tuchtrechtelijke veroordeling blijkt een rapport aan de directeur (RAD) te zijn: “Bij een celcontrole met drugshond reageerde de hond positief op een asbak die op de grond van de badkamer stond. In deze asbak lag er een restant van een sigaret, een buisje van plastiek en een afgeknipte vingertop van een blauwe plastieken handschoen.” De directeur nam kennis van het RAD en besliste om een tuchtprocedure op te starten voor de drie celgenoten. De klachtencommissie stelt vast dat de directie van oordeel was dat klager, net zoals zijn twee celgenoten, schuldig was aan het gebruik van drugs op basis van de vaststelling dat de drugshond tijdens een celcontrole positief reageerde op een asbak die op de grond in de badkamer stond, een restant van een sigaret, een afgeknipte vingertop van een plastieken handschoen en een plastieken buisje. Verboden substanties werden er echter niet gevonden. De klachtencommissie meent dat de reactie van de drugshond een aanwijzing is dat er in het verleden drugs waren gebruikt, doch kan er niet worden vastgesteld wanneer die drugs werden gebruikt. Doordat er geen drugs zijn gevonden in de triocel én het onduidelijk is van wanneer de sporen waarop de hond reageerde, dateren, is de klachtencommissie van oordeel dat het gebruik van drugs niet aan klager kan worden toegerekend. Een sanctie kan maar opgelegd worden indien dit is gesteund op concrete en vaststaande feiten. In geval van twijfel dient geoordeeld te worden in het voordeel van de betichte. Daarenboven werd hetgeen klager ter tuchtzitting verklaarde overgenomen in de motivering van de tuchtbeslissing, maar er werd niet gemotiveerd waarom er geen geloof werd gehecht of rekening werd gehouden met hetgeen klager aanvoerde. Er werd met name niet verduidelijkt of zijn celgenoot inderdaad de schuld op zich nam, zoals klager ten overstaan van de directie aankondigde. Er werd enkel op algemene wijze verwezen naar de plicht van elke gedetineerde om er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort (artikel 106, §1 Basiswet en overgenomen in het huishoudelijk reglement p. 3). Bij feiten op een meerpersoonscel moet de directie, gelet op het vermoeden van onschuld, nochtans motiveren waarom de feiten aan een specifieke gedetineerde worden toegerekend. De klachtencommissie besluit tot een schending van artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.