Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0089

Ongegrond Onontvankelijk KC - Beveren Klachtencommissie Bijzondere veiligheidsmaatregel
BVM - TERMIJN

Klager heeft op 15.04.2026 een klacht ingediend tegen de BVM die op 19.03.2026 zou zijn opgelegd. Uit bijkomende informatie blijkt dat de initiƫle BVM op 21.03.2026 van start ging. Vanaf 22.03.2026 had klager zeven dagen de tijd om een klacht in te dienen tegen deze beslissing. Zijn klacht moest ten laatste op 27.03.2026 ingediend worden. De klacht is bijgevolg laattijdig. Klager heeft in zijn klacht geen redenen vermeld om aan te nemen dat hij de klacht weliswaar zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.

Uit de dossierstukken blijkt dat de directie op 10.04.2026 beslist heeft om de BVM, die initieel opgelegd werd op 21.03.2026, voor de derde en laatste keer te verlengen tot 17.04.2026. De klacht tegen de beslissing van 10.04.2026 is wel tijdig ingediend. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt waarom er initieel werd gekozen om klager onder BVM te plaatsen. Wegens aanhoudende meldingen die allemaal zorgvuldig en uitvoerig vermeld worden in de bestreden beslissing, heeft de directeur de BVM tweemaal verlengd. Klager werd op 10.04.2026 gehoord door de directie in het kader van een mogelijke laatste verlenging van de BVM. Uit het verslag blijkt dat klager aangaf dat het niet goed ging met hem. Hij wou graag terug naar zijn oude cel. Zijn cel was in een vuile staat en hij wou pas poetsen als hij naar zijn oude cel mocht terugkeren. De directie was van oordeel dat er nog steeds sprake was van individuele aanwijzingen van een gevaar voor de orde of de veiligheid. De klachtencommissie meent dat dit een correcte beoordeling is gelet op de incidenten die zich bleven voordoen. De inhoud van zijn klacht acht de klachtencommissie daarenboven toonaangevend voor het verontrustende toestandsbeeld van klager. Klager werd vanaf 11.04.2026 tot en met 17.04.2026 uitgesloten van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, hij mocht in die periode geen scherpe of gevaarlijke voorwerpen in zijn bezit hebben, hij diende te verblijven in een monocel op de benedenverdieping tenzij een verblijf in de beveiligde cel noodzakelijk was. De klachtencommissie is van oordeel dat de verlenging van de opgelegde BVM gerechtvaardigd was. Om deze reden is de klacht ongegrond.