Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0095

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Andere beslissing directeur Tucht
TUCHT - WERK

- Over de tuchtbeslissing
Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”, wegens “de opzettelijke aantasting van de orde”, en wegens “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”.

Hoewel klager in zijn klacht stelt dat hij een tuchtrapport heeft gekregen zonder datum om te verschijnen en niet zou zijn opgeroepen geweest voor de tuchtzitting op 18/04/2026, is de klachtencommissie van oordeel dat uit de dossierstukken en uit het verweer van de directie duidelijk blijkt dat klager wel degelijk correct werd uitgenodigd voor de tuchtrechtelijke hoorzitting van 18/04/2026. Klager heeft echter zelf geweigerd om deze uitnodiging te ondertekenen en om op de hoorzitting te verschijnen. Klager heeft zelf aangegeven van welke advocaat hij bijstand wenste op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Zij werd uitgenodigd en was aanwezig op de dag van de hoorzitting. Uit het verweer blijkt dat klager een kopie heeft ontvangen van zijn tuchtzitting met de rapporten, zijn individueel tuchtregister en de mededeling aan de gedetineerde. De klachtencommissie stelt bovendien vast dat er, na de weigering van klager om te verschijnen op de tuchtrechtelijke hoorzitting, een formulier ‘verklaring weigering te worden gehoord’ werd opgesteld en klager ook dit niet heeft willen ondertekenen. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de procedure zoals voorgeschreven door de Basiswet correct werd gevolgd.

In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de twee rapporten duidelijk werden opgesteld. Bovendien werden de rapporten ondertekend door meerdere getuigen van het personeel. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager heeft er zelf voor gekozen om niet te verschijnen op de tuchtrechtelijke hoorzitting. Uit de rapporten blijkt duidelijk dat klager meermaals geweigerd heeft om de instructies van het personeel op te volgen. Daarnaast heeft klager de orde opzettelijk aangetast door zijn storend en uitdagend gedrag niet te beëindigen, waarop een alarmknop moest worden ingedrukt. Hoewel klager in zijn klacht stelt dat dit overbodig was en de camerabeelden dit zouden aantonen, is de klachtencommissie van oordeel dat het RAD ook op dit punt voldoende duidelijk werd opgesteld zodoende de directie niet nog bijkomend de camerabeelden had moeten bekijken. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.

- Over de afzetting van werk
Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De Basiswet voorziet niet in een specifieke procedure voor de afzetting van werk van een gedetineerde.

Uit het verweer van de directie blijkt dat klager tewerkgesteld was als sectiediender. In de richtlijnen van de Directie Juridische Dienst van 28 november 2024 over “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” worden mogelijke situaties met betrekking tot de afzetting van werk beschreven, die elk met bepaalde gevolgen gepaard gaan. De klachtencommissie stelt vast dat klager onder situatie 3 van deze richtlijnen valt, namelijk de gedetineerde begaat een tuchtinbreuk die niet tot gevolg heeft dat hij niet meer geschikt is voor de arbeidspost of dat de werkrelatie niet langer mogelijk is. Deze richtlijnen bepalen dat dit tot onmiddellijk gevolg heeft klager “zijn tewerkstelling behoudt voor de duur van de sanctie, tenzij de onmogelijkheid om te gaan werken voortvloeit uit de opgelegde sanctie”. Doordat klager gedurende tien dagen onder ATV zat, was hij inderdaad in de onmogelijkheid om te gaan werken als sectiediender. De klachtencommissie stelt vast dat de richtlijnen in deze situatie bepalen dat, indien na afloop van de sanctie het werk niet meer beschikbaar is, de gedetineerde om die reden niet terug aan het werk kan, dit hem duidelijk mondeling of schriftelijk moet worden meegedeeld. Uit het verweer van de directie blijkt dat het feit dat zijn werk niet meer beschikbaar was, onvermijdelijk het gevolg is van de afwezigheid van klager op het werk. De klachtencommissie stelt vast dat klager hiervan op de hoogte werd gebracht gelet op de indiening van de klacht. De beslissing tot afzetting van werk is dus niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk gelet op het feit dat de tewerkstelling als sectiediender een vertrouwensfunctie uitmaakt. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.