Ga verder naar de inhoud

KC04/26-0108

Ongegrond KC - Beveren Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - BEWIJS - MOTIVERING - SANCTIE

De directeur besliste om klager op een beveiligde cel te plaatsen op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Klager gooide bij de etensbedeling zijn plateau richting de beambte en de fatik. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot plaatsing op een beveiligde cel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing waarbij hij 8 dagen strafcel kreeg voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in zes verschillende RAD’s. Klager voert in zijn klacht aan dat de tuchtzitting doorging zonder advocaat en met ‘veel procedurefouten’ (niet nader gespecificeerd). De klachtencommissie leest in het verslag van de tuchtzitting dat klager bevestigde dat de zitting kon doorgaan zonder aanwezigheid van een advocaat. De klachtencommissie kan op dit punt dan ook geen schending van de rechten van verdediging vaststellen. Klager voert in zijn klacht aan dat hij zich op zijn ‘zwijgplicht’ beriep en dat dit niet hetzelfde is als dat hij de feiten niet ontkend heeft. De klachtencommissie gaat ervan uit dat klager bedoelt dat hij zich beriep op zijn zwijgrecht. De klachtencommissie wijst erop dat de directie zich op de vaststellingen van een RAD mag baseren omdat ze er redelijkerwijze van kan uitgaan dat dit een correcte weergave van de feiten betreft, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen. De klachtencommissie stelt vast dat klager géén tegenindicaties aanvoerde over de vaststellingen in de veiligheidscel. Ondanks de reden hiertoe (omdat klager zich volgens zijn klacht op zijn zwijgrecht beriep (ook al legde hij vervolgens toch nog een aantal verklaringen af)), meent de klachtencommissie niet dat de directie een fout beging door dit in de tuchtbeslissing te beschrijven als ‘de vaststellingen werden niet ontkend’. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de daarin beschreven feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie en kreeg 8 dagen strafcel. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk is. Gelet op de ernst van de feiten oordeelt de klachtencommissie dat de sanctie redelijk is. De klacht is ongegrond.