TUCHT - BEWIJS
Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee getuigen van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Hoewel klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in zijn klacht aangeeft dat de ploegchef niet zou zijn tussengekomen, stelt de klachtencommissie vast dat dit evenwel duidelijk blijkt uit het RAD en de betrokken ploegchef het RAD zelf als getuige mee heeft ondertekend. Klager had niet zonder de toestemming van de beambten moeten praten met zijn buurman door het winket, zelfs niet om een ander incident over geluidsoverlast te proberen oplossen, en had meteen de instructies van een beambte moeten opvolgen. Bovendien is de klachtencommissie van oordeel dat uit het RAD voldoende duidelijk blijkt dat klager beledegingen heeft geuit naar de betrokken beambte, en klager in zijn klacht/zijn advocaat tijdens de tuchtrechtelijk hoorzitting zelf stellen dat klager gefrustreerd was en uitgedaagd werd door de beambte. Zelfs indien klager het niet eens is met de manier waarop hij door een beambte wordt aangesproken of over de toepassing van bepaalde regels, dient hij alsnog de instructies van het personeel meteen op te volgen. Klager kan nadien immers steeds de directie hierover aanspreken. De klachtencommissie besluit hieruit dat klager verschillende kansen heeft gehad om de instructies van het personeel op te volgen, hetgeen hij heeft nagelaten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vier dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het uitgebreide tuchtrechtelijke verleden van klager en de milde sanctie van vier dagen ATV. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee getuigen van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Hoewel klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in zijn klacht aangeeft dat de ploegchef niet zou zijn tussengekomen, stelt de klachtencommissie vast dat dit evenwel duidelijk blijkt uit het RAD en de betrokken ploegchef het RAD zelf als getuige mee heeft ondertekend. Klager had niet zonder de toestemming van de beambten moeten praten met zijn buurman door het winket, zelfs niet om een ander incident over geluidsoverlast te proberen oplossen, en had meteen de instructies van een beambte moeten opvolgen. Bovendien is de klachtencommissie van oordeel dat uit het RAD voldoende duidelijk blijkt dat klager beledegingen heeft geuit naar de betrokken beambte, en klager in zijn klacht/zijn advocaat tijdens de tuchtrechtelijk hoorzitting zelf stellen dat klager gefrustreerd was en uitgedaagd werd door de beambte. Zelfs indien klager het niet eens is met de manier waarop hij door een beambte wordt aangesproken of over de toepassing van bepaalde regels, dient hij alsnog de instructies van het personeel meteen op te volgen. Klager kan nadien immers steeds de directie hierover aanspreken. De klachtencommissie besluit hieruit dat klager verschillende kansen heeft gehad om de instructies van het personeel op te volgen, hetgeen hij heeft nagelaten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vier dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van tweede categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie vijftien dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het uitgebreide tuchtrechtelijke verleden van klager en de milde sanctie van vier dagen ATV. Om deze redenen is de klacht niet gegrond.