TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT
De directie heeft er alles aan gedaan om het recht op bijstand van een advocaat te waarborgen. Eerst en vooral heeft ze de door klager opgegeven advocate tijdig, namelijk 6 dagen voor de hoorzitting, uitgenodigd. Omdat de advocate niet op deze uitnodiging reageerde en ook niet aanwezig was tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, heeft de directie klager bovendien de mogelijkheid gegeven om alsnog te worden bijgestaan door een andere advocaat, met inbegrip van een vertrouwelijk overleg. Klager heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt maar heeft daarentegen gekozen verstek te laten voor de tuchtrechtelijke hoorzitting.
De tuchtrechtelijke inbreuken zijn bewezen. De directeur heeft aan zorgvuldige feitenvinding gedaan. Indien een gedetineerde wenst dat de directeur bijkomende onderzoeksverrichtingen treft vooraleer over te gaan tot een tuchtbeslissing, zoals het horen van getuigen, dient hij dit op te werpen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, en niet pas nadat de tuchtbeslissing reeds is genomen. Zelfs dan valt het binnen de appreciatiemarge van de directie om te beslissen of de haar voorgelegde feiten bewezen zijn dan wel of bijkomende onderzoeksdaden nodig zijn.
De klacht is ongegrond.
De directie heeft er alles aan gedaan om het recht op bijstand van een advocaat te waarborgen. Eerst en vooral heeft ze de door klager opgegeven advocate tijdig, namelijk 6 dagen voor de hoorzitting, uitgenodigd. Omdat de advocate niet op deze uitnodiging reageerde en ook niet aanwezig was tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, heeft de directie klager bovendien de mogelijkheid gegeven om alsnog te worden bijgestaan door een andere advocaat, met inbegrip van een vertrouwelijk overleg. Klager heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt maar heeft daarentegen gekozen verstek te laten voor de tuchtrechtelijke hoorzitting.
De tuchtrechtelijke inbreuken zijn bewezen. De directeur heeft aan zorgvuldige feitenvinding gedaan. Indien een gedetineerde wenst dat de directeur bijkomende onderzoeksverrichtingen treft vooraleer over te gaan tot een tuchtbeslissing, zoals het horen van getuigen, dient hij dit op te werpen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, en niet pas nadat de tuchtbeslissing reeds is genomen. Zelfs dan valt het binnen de appreciatiemarge van de directie om te beslissen of de haar voorgelegde feiten bewezen zijn dan wel of bijkomende onderzoeksdaden nodig zijn.
De klacht is ongegrond.