KC05/22-0036
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Brugge
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Geen beslissing directeur
Fouille op het lichaam
GEEN BESLISSING DIRECTEUR – BEVOEGDHEID – VOORLOPIGE MAATREGEL – FOUILLE LICHAAM – VERBODEN SUBSTANTIES
Klager heeft drie klachten.
De eerste klacht gaat over het feit dat klager één dag niet kon deelnemen aan de individuele wandeling. De klachtencommissie is enkel bevoegd voor klachten tegen beslissingen die door of namens de directeur worden genomen op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving. Klager kon die bewuste dag niet deelnemen aan de individuele wandeling door overmacht (een incident). De klachtencommissie is van oordeel dat hier geen beslissing van de directeur voorhanden is. De eerste klacht is niet ontvankelijk.
De tweede klacht gaat over de beslissing van de directie om een voorlopige maatregel op te leggen, waarbij naar aanleiding van een celcontrole verboden substanties werden aangetroffen. Klager zou ook niet binnen de wettelijke termijn in kennis zijn gesteld van deze beslissing. De klachtencommissie acht de voorlopige maatregel niet onwettig of onredelijk. Zo kunnen de feiten zoals omschreven in het RAD zeker als een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid worden beschouwd. Daarnaast ziet de klachtencommissie geen reden om aan te nemen dat de voorlopige maatregel pas na de inwerkingtreding ervan aan klager ter kennis werd gebracht. De tweede klacht is ontvankelijk, maar ongegrond.
De derde klacht luidt dat klager een fouille op het lichaam moest ondergaan samen met en in aanwezigheid van zijn celgenoot en dit volledig naakt, zonder tussenwand en zonder handdoek. De klachtencommissie verklaart deze klacht ontvankelijk, zowel op het vlak van de beslissing tot fouillering als de uitvoering ervan. De klachtencommissie is vervolgens van oordeel dat er individuele aanwijzingen bestonden die de fouillering op het lichaam van klager rechtvaardigden. De beslissing was niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Wat betreft de uitvoering van de fouille, ziet de klachtencommissie geen gronden om te twijfelen aan de verklaringen van de directie en de beëdigde beambten in de uitvoering van hun functie. In de specifieke zaak van klager oordeelt de klachtencommissie dat hij niet op geloofwaardige wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zijn fouille op het lichaam op incorrecte wijze zou zijn uitgevoerd. De derde klacht is dus ontvankelijk, maar ongegrond.
Klager heeft drie klachten.
De eerste klacht gaat over het feit dat klager één dag niet kon deelnemen aan de individuele wandeling. De klachtencommissie is enkel bevoegd voor klachten tegen beslissingen die door of namens de directeur worden genomen op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving. Klager kon die bewuste dag niet deelnemen aan de individuele wandeling door overmacht (een incident). De klachtencommissie is van oordeel dat hier geen beslissing van de directeur voorhanden is. De eerste klacht is niet ontvankelijk.
De tweede klacht gaat over de beslissing van de directie om een voorlopige maatregel op te leggen, waarbij naar aanleiding van een celcontrole verboden substanties werden aangetroffen. Klager zou ook niet binnen de wettelijke termijn in kennis zijn gesteld van deze beslissing. De klachtencommissie acht de voorlopige maatregel niet onwettig of onredelijk. Zo kunnen de feiten zoals omschreven in het RAD zeker als een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid worden beschouwd. Daarnaast ziet de klachtencommissie geen reden om aan te nemen dat de voorlopige maatregel pas na de inwerkingtreding ervan aan klager ter kennis werd gebracht. De tweede klacht is ontvankelijk, maar ongegrond.
De derde klacht luidt dat klager een fouille op het lichaam moest ondergaan samen met en in aanwezigheid van zijn celgenoot en dit volledig naakt, zonder tussenwand en zonder handdoek. De klachtencommissie verklaart deze klacht ontvankelijk, zowel op het vlak van de beslissing tot fouillering als de uitvoering ervan. De klachtencommissie is vervolgens van oordeel dat er individuele aanwijzingen bestonden die de fouillering op het lichaam van klager rechtvaardigden. De beslissing was niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Wat betreft de uitvoering van de fouille, ziet de klachtencommissie geen gronden om te twijfelen aan de verklaringen van de directie en de beëdigde beambten in de uitvoering van hun functie. In de specifieke zaak van klager oordeelt de klachtencommissie dat hij niet op geloofwaardige wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zijn fouille op het lichaam op incorrecte wijze zou zijn uitgevoerd. De derde klacht is dus ontvankelijk, maar ongegrond.