KC05/22-0102
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Brugge
Klachtencommissie
Tucht
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR – BEVOEGDHEID – TUCHT – MOTIVERING
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen gedrag van een PBA. Klager stelt dat deze PBA hem agressief heeft bejegend. De klachtencommissie is enkel bevoegd voor klachten tegen beslissingen die door of namens de directeur worden genomen op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving. Een klacht die gaat over (gedrag van) een PBA behoort niet tot het toepassingsgebied van het klachtenrecht. De klacht is niet ontvankelijk.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. Deze werd opgelegd naar aanleiding van een RAD waarin werd gesteld dat klager een agressieve houding had aangenomen tegenover een PBA. De klachtencommissie verwijst naar de regels in verband met de motivering van (tucht)beslissingen die werden opgenomen in de Basiswet en nader werden uitgewerkt in het eindverslag van de Commissie Dupont en de rechtspraak van de Nederlandstalige Beroepscommissie. De klachtencommissie stelt hierbij nog dat, indien de directeur een gedetineerde schuldig acht aan een bepaalde tuchtinbreuk, hij deze innerlijke overtuiging ook op afdoende wijze ter kennis dient te brengen van de tuchtrechtelijk vervolgde gedetineerde via de motivering van de tuchtbeslissing. Het is noodzakelijk, maar onvoldoende, dat de directeur ervan overtuigd is dat een bepaalde gedetineerde de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Minstens even belangrijk is de – procedurele – vereiste om deze overtuiging op een gestoffeerde manier neer te schrijven in een gemotiveerde tuchtbeslissing, die aan de betrokken gedetineerde wordt bezorgd. In de zaak van klager stelt de klachtencommissie vast dat de motivering van de tuchtbeslissing vaag en op bepaalde vlakken foutief is. Dit druist in tegen de vereiste motiveringsplicht, waardoor de tuchtbeslissing onwettig is. Deze klacht is ontvankelijk en gegrond.
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen gedrag van een PBA. Klager stelt dat deze PBA hem agressief heeft bejegend. De klachtencommissie is enkel bevoegd voor klachten tegen beslissingen die door of namens de directeur worden genomen op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving. Een klacht die gaat over (gedrag van) een PBA behoort niet tot het toepassingsgebied van het klachtenrecht. De klacht is niet ontvankelijk.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. Deze werd opgelegd naar aanleiding van een RAD waarin werd gesteld dat klager een agressieve houding had aangenomen tegenover een PBA. De klachtencommissie verwijst naar de regels in verband met de motivering van (tucht)beslissingen die werden opgenomen in de Basiswet en nader werden uitgewerkt in het eindverslag van de Commissie Dupont en de rechtspraak van de Nederlandstalige Beroepscommissie. De klachtencommissie stelt hierbij nog dat, indien de directeur een gedetineerde schuldig acht aan een bepaalde tuchtinbreuk, hij deze innerlijke overtuiging ook op afdoende wijze ter kennis dient te brengen van de tuchtrechtelijk vervolgde gedetineerde via de motivering van de tuchtbeslissing. Het is noodzakelijk, maar onvoldoende, dat de directeur ervan overtuigd is dat een bepaalde gedetineerde de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Minstens even belangrijk is de – procedurele – vereiste om deze overtuiging op een gestoffeerde manier neer te schrijven in een gemotiveerde tuchtbeslissing, die aan de betrokken gedetineerde wordt bezorgd. In de zaak van klager stelt de klachtencommissie vast dat de motivering van de tuchtbeslissing vaag en op bepaalde vlakken foutief is. Dit druist in tegen de vereiste motiveringsplicht, waardoor de tuchtbeslissing onwettig is. Deze klacht is ontvankelijk en gegrond.