KC05/22-0160
Gegrond
KC - Brugge
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
TERMIJN – ARBEID – ONTSLAG
Klager dient klacht in tegen de mondelinge beslissing waarbij hij werd afgezet van zijn werk. Hij was op uitgaansvergunning, maar werd gearresteerd door de politie. Omdat hij zich hierdoor niet tijdig terug aanmeldde in de gevangenis, werd hij geseind. De dag erop bracht de politie klager terug naar de gevangenis. De directie beschouwt dit als een nieuwe detentie. De algemene regel is dan dat de gedetineerde van zijn werk wordt afgezet. De directie stelt dat dit geen ordemaatregel behoeft.
Wat betreft de ontvankelijkheid en de vereiste dat de klacht wordt ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing, stelt de klachtencommissie vast dat er geen schriftelijke beslissing voorhanden is waaruit eenduidig blijkt dat er op een welbepaalde datum een beslissing ten aanzien van klager over zijn werksituatie werd genomen. Klager maakte bovendien aannemelijk dat hij na zijn heropsluiting in de gevangenis nog enige tijd in het ongewisse werd gelaten of hij al dan niet opnieuw aan het werk kon. Klager heeft zijn klacht zo spoedig mogelijk ingediend als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. De klacht is ontvankelijk.
Wat betreft de gegrondheid verwijst de klachtencommissie naar de richtlijnen van de Directie Juridische Dienst van 18 juni 2015 over “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel”, die in vier mogelijke situaties voorziet wat betreft de werksituatie van gedetineerden. De klachtencommissie heeft daarentegen geen kennis gekregen van de nota waarin de algemene regel die de directie aanhaalt, wordt uiteengezet. Op heden is voor de klachtencommissie dus onduidelijk op basis van welke precieze regel klager werd afgezet van zijn werk. Minstens lijkt er een (mondelinge) beslissing te zijn genomen die strijdig is met de in de richtlijnen van 18 juni 2015 voorziene principes. De klacht is gegrond.
De klachtencommissie draagt de directeur op om een nieuwe beslissing te nemen over de werksituatie van klager, waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen. Dit dient te gebeuren binnen twee maanden na kennisgeving van deze beslissing aan de directie.
Klager dient klacht in tegen de mondelinge beslissing waarbij hij werd afgezet van zijn werk. Hij was op uitgaansvergunning, maar werd gearresteerd door de politie. Omdat hij zich hierdoor niet tijdig terug aanmeldde in de gevangenis, werd hij geseind. De dag erop bracht de politie klager terug naar de gevangenis. De directie beschouwt dit als een nieuwe detentie. De algemene regel is dan dat de gedetineerde van zijn werk wordt afgezet. De directie stelt dat dit geen ordemaatregel behoeft.
Wat betreft de ontvankelijkheid en de vereiste dat de klacht wordt ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing, stelt de klachtencommissie vast dat er geen schriftelijke beslissing voorhanden is waaruit eenduidig blijkt dat er op een welbepaalde datum een beslissing ten aanzien van klager over zijn werksituatie werd genomen. Klager maakte bovendien aannemelijk dat hij na zijn heropsluiting in de gevangenis nog enige tijd in het ongewisse werd gelaten of hij al dan niet opnieuw aan het werk kon. Klager heeft zijn klacht zo spoedig mogelijk ingediend als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. De klacht is ontvankelijk.
Wat betreft de gegrondheid verwijst de klachtencommissie naar de richtlijnen van de Directie Juridische Dienst van 18 juni 2015 over “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel”, die in vier mogelijke situaties voorziet wat betreft de werksituatie van gedetineerden. De klachtencommissie heeft daarentegen geen kennis gekregen van de nota waarin de algemene regel die de directie aanhaalt, wordt uiteengezet. Op heden is voor de klachtencommissie dus onduidelijk op basis van welke precieze regel klager werd afgezet van zijn werk. Minstens lijkt er een (mondelinge) beslissing te zijn genomen die strijdig is met de in de richtlijnen van 18 juni 2015 voorziene principes. De klacht is gegrond.
De klachtencommissie draagt de directeur op om een nieuwe beslissing te nemen over de werksituatie van klager, waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen. Dit dient te gebeuren binnen twee maanden na kennisgeving van deze beslissing aan de directie.