TUCHT - STRAFCEL - MOTIVERING
De klacht gaat over de beslissing van 17 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
De klachtencommissie stelt vast dat klager en zijn advocaat in de huidige klachtenprocedure de feiten niet betwisten, maar louter een procedureel argument opwerpen. Klager meent dat er sprake is van vooringenomenheid. Onmiddellijk na de tuchtzitting had de directie een non-verbaal signaal gegeven aan de beambten, waarop deze klager rechtstreeks naar de strafcel meenamen. Uit deze handelingen blijkt volgens klager dat de directie al voorafgaand aan de tuchtzitting had beslist dat zij als sanctie enkele dagen strafcel zou opleggen.
De directie ontkent dat er sprake was van vooringenomenheid, maar dat deze bijzondere situatie kadert in een risico-inschatting en afspraken met het personeel. Indien zij vermoedt dat er een risico bestaat op incidenten of onverwacht gedrag, geldt de afspraak dat bij een bepaald non-verbaal signaal de directie op dat moment beslist heeft om als sanctie strafcel op te leggen.
De klachtencommissie wijst erop dat in het RAD van 16 september 2024 (feiten van 8u30) klager, nadat een beambte hem betrapt had met een jojolint, reageerde dat als iemand aan hem kwam, hij deze zou neersteken met een mes. In een RAD van diezelfde dag (feiten van 17u02) wordt
vervolgens vermeld dat klager bepaalde voorwerpen had stukgegooid tegen zijn celdeur, alsook dat hij overstuur was en riep “dat de eerstvolgende chef zou neergestoken worden met een mes in de keel wanneer deze zijn deur open doet”. Klager dreigde ook om zijn verblijfsruimte in brand te steken.Hij werd die dag onder voorlopige maatregel geplaatst.
Dat de directie in dit dossier dan ook van oordeel was dat er zich tijdens de tuchtzitting mogelijk een incident zou kunnen voorgedaan hebben, is begrijpelijk. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat de directie al op voorhand had beslist over welke sanctie klager zou krijgen en
dus dat er sprake is van vooringenomenheid. Het verslag van de tuchtzitting is uitgebreid en klager en zijn advocaat konden op deze zitting al hun verweermiddelen doen gelden. De klachtencommissie kan erin komen – zoals de directie ook toegaf op de zitting – dat de situatie is
overgekomen alsof er vooringenomenheid was. Zij acht het echter niet aannemelijk dat er ook daadwerkelijk sprake was van vooringenomenheid.
Het geven van een non-verbaal signaal is een geldende afspraak, maar doet niets af aan het feit dat de directie dit signaal pas geeft op het ogenblik dat zij effectief beslist om als sanctie strafcel op te leggen, nadat de tuchtzitting is doorgegaan.
De klachtencommissie volgt het argument van klager dus niet dat de tuchtbeslissing al voor aanvang van de tuchtzitting werd genomen. Er is evenmin sprake van een onzorgvuldige of niet correct gemotiveerde beslissing of een schending van het recht op verdediging. Klager voert ten slotte nog aan dat de beslissing laattijdig werd betekend en niet onmiddellijk aan hem werd bezorgd. De klachtencommissie wijst er in dit kader nog op dat de gedetineerde binnen de vierentwintig uur mondeling en schriftelijk in kennis moet worden gesteld van de beslissing en van de beweegredenen waarop zij steunt. Dat de tuchtbeslissing dus niet onmiddellijk na de tuchtzitting aan klager werd meegedeeld of betekend, maar pas enkele uren later, is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De klacht is niet gegrond. De bestreden tuchtbeslissing van 17 september 2024 blijft bestaan.
De klacht gaat over de beslissing van 17 september 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
De klachtencommissie stelt vast dat klager en zijn advocaat in de huidige klachtenprocedure de feiten niet betwisten, maar louter een procedureel argument opwerpen. Klager meent dat er sprake is van vooringenomenheid. Onmiddellijk na de tuchtzitting had de directie een non-verbaal signaal gegeven aan de beambten, waarop deze klager rechtstreeks naar de strafcel meenamen. Uit deze handelingen blijkt volgens klager dat de directie al voorafgaand aan de tuchtzitting had beslist dat zij als sanctie enkele dagen strafcel zou opleggen.
De directie ontkent dat er sprake was van vooringenomenheid, maar dat deze bijzondere situatie kadert in een risico-inschatting en afspraken met het personeel. Indien zij vermoedt dat er een risico bestaat op incidenten of onverwacht gedrag, geldt de afspraak dat bij een bepaald non-verbaal signaal de directie op dat moment beslist heeft om als sanctie strafcel op te leggen.
De klachtencommissie wijst erop dat in het RAD van 16 september 2024 (feiten van 8u30) klager, nadat een beambte hem betrapt had met een jojolint, reageerde dat als iemand aan hem kwam, hij deze zou neersteken met een mes. In een RAD van diezelfde dag (feiten van 17u02) wordt
vervolgens vermeld dat klager bepaalde voorwerpen had stukgegooid tegen zijn celdeur, alsook dat hij overstuur was en riep “dat de eerstvolgende chef zou neergestoken worden met een mes in de keel wanneer deze zijn deur open doet”. Klager dreigde ook om zijn verblijfsruimte in brand te steken.Hij werd die dag onder voorlopige maatregel geplaatst.
Dat de directie in dit dossier dan ook van oordeel was dat er zich tijdens de tuchtzitting mogelijk een incident zou kunnen voorgedaan hebben, is begrijpelijk. De klachtencommissie is er niet van overtuigd dat de directie al op voorhand had beslist over welke sanctie klager zou krijgen en
dus dat er sprake is van vooringenomenheid. Het verslag van de tuchtzitting is uitgebreid en klager en zijn advocaat konden op deze zitting al hun verweermiddelen doen gelden. De klachtencommissie kan erin komen – zoals de directie ook toegaf op de zitting – dat de situatie is
overgekomen alsof er vooringenomenheid was. Zij acht het echter niet aannemelijk dat er ook daadwerkelijk sprake was van vooringenomenheid.
Het geven van een non-verbaal signaal is een geldende afspraak, maar doet niets af aan het feit dat de directie dit signaal pas geeft op het ogenblik dat zij effectief beslist om als sanctie strafcel op te leggen, nadat de tuchtzitting is doorgegaan.
De klachtencommissie volgt het argument van klager dus niet dat de tuchtbeslissing al voor aanvang van de tuchtzitting werd genomen. Er is evenmin sprake van een onzorgvuldige of niet correct gemotiveerde beslissing of een schending van het recht op verdediging. Klager voert ten slotte nog aan dat de beslissing laattijdig werd betekend en niet onmiddellijk aan hem werd bezorgd. De klachtencommissie wijst er in dit kader nog op dat de gedetineerde binnen de vierentwintig uur mondeling en schriftelijk in kennis moet worden gesteld van de beslissing en van de beweegredenen waarop zij steunt. Dat de tuchtbeslissing dus niet onmiddellijk na de tuchtzitting aan klager werd meegedeeld of betekend, maar pas enkele uren later, is niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De klacht is niet gegrond. De bestreden tuchtbeslissing van 17 september 2024 blijft bestaan.