Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0350

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - GEÏNTERNEERDE

De eerste klacht gaat over de beslissing van 12 oktober 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij ten aanzien van klager een voorlopige maatregel werd opgelegd. De tweede klacht gaat over de beslissing van 15 oktober 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij de ten aanzien van klager op 12 oktober 2024 opgelegde voorlopige maatregel werd verlengd. De derde klacht gaat over de beslissing van 16 oktober 2024 van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij ten aanzien van klager een tuchtsanctie werd opgelegd.

Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft op 12 oktober 2024 een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd ten aanzien van klager, wegens een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De klachtencommissie wijst in dit kader nog op het RAD dat op 12 oktober 2024 ten aanzien van klager werd opgesteld en dat de basis vormde voor de voorlopige maatregel.

De klachtencommissie benadrukt vooreerst dat zij begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin het personeel, maar evengoed klager, die het statuut van geïnterneerde persoon heeft, zich bevinden. Zoals bleek uit het verslag van de tuchtzitting (zie hierboven) botsen zowel het personeel van de gevangenis als klager op hun grenzen. Hierdoor is het naar het oordeel van de klachtencommissie mogelijk dat bepaalde situaties tussen klager en het personeel sneller escaleren dan bij andere gedetineerden het geval zou zijn. Dit gezegd zijnde, is de klachtencommissie er op basis van alle beschikbare informatie niet van overtuigd dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid bestond, op basis waarvan een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de verblijfsruimte ten aanzien van klager kon worden opgelegd. In de beslissing tot voorlopige maatregel en het RAD wordt in hoofdorde verwezen naar een aantasting van de orde (bv. het moeilijk doen voorafgaand aan een
fouillering en roepen). Voor de opgelegde voorlopige maatregel (een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte) is een ordeverstoring echter onvoldoende. Er wordt immers vereist dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid is.

In de voorlopige maatregel wordt ook nog vermeld dat klager een beambte fysiek zou hebben geïntimideerd door bijna tegen deze persoon te gaan staan. Hoewel dergelijk gedrag in sommige situaties aanleiding zou kunnen geven tot het opleggen van een voorlopige maatregel tot een
verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte, was dit in de situatie met klager naar het oordeel van de klachtencommissie niet het geval. De klachtencommissie wijst erop dat klager, zij het in een gespannen sfeer en na hiertoe enkele keren te worden aangemaand, zelfstandig naar zijn cel terug is gegaan. Klager blijkt dus, nadat de bovenvermelde situatie zich had voorgedaan en nadat hem meerdere keren was gevraagd om terug naar zijn cel te gaan, geen handeling meer te hebben gesteld die zou kunnen worden gekwalificeerd als een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De klachtencommissie is er zodoende niet van overtuigd dat, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan de zaak en het statuut van klager, de ingrijpende maatregel van een verplicht verblijf in de toegewezen de aangewezen oplossing was om de situatie niet verder te laten escaleren. De bestreden beslissing is onredelijk. De eerste klacht is gegrond.


Over de tweede klacht (de verlenging van de voorlopige maatregel):
De klachtencommissie stelt vast dat de voorlopige maatregel van 12 oktober 2024 werd verlengd op 15 oktober 2024, nadat de tuchtzitting niet binnen de 72 uur kon worden georganiseerd. Van deze verlenging is geen schriftelijke beslissing voorhanden. Op de tuchtzitting werd door klager gewezen op het feit dat hij nergens heeft moeten tekenen voor het verlengen van deze maatregel. Daarop antwoordde de directeur dat zij er alles aan gedaan had om de tuchtzitting tijdig te laten doorgaan, maar er geen advocaat voor klager aanwezig of beschikbaar was.

Door het ontbreken van een schriftelijke beslissing kan de klachtencommissie niet nagaan welke motieven werden gegeven voor het verlengen van de voorlopige maatregel. Uit geen enkel stuk blijkt waarom de directie van oordeel was dat klager tijdens de uitvoering van de voorlopige maatregelnog bepaalde gedragingen had gesteld waaruit kon worden afgeleid dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Nergens wordt gesteld waarom klager, in afwachting van de tuchtzitting die de dag na het aflopen van de voorlopige maatregel gepland stond, niet gewoon onder het normale regime kon verblijven. De tweede klacht is om deze reden gegrond.


Over de derde klacht (de tuchtsanctie):
De klachtencommissie wijst erop dat ook in de bestreden beslissing louter stijlformules worden gebruikt, zonder enig specifiek element te benoemen met betrekking tot de geestestoestand van klager. Het komt aan de directie toe om, wanneer zij in de individuele situatie van klager over voldoende informatie beschikte waarom hij verantwoordelijk kon worden geacht voor de door hem gestelde daden, dit ook expliciet en individueel te motiveren in de tuchtbeslissing. De bestreden beslissing werd op dit vlak onvoldoende gemotiveerd, wat de beslissing onwettig maakt. De derde klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van 16 oktober 2024 en draagt de directie op om deze volledig te schrappen uit het tuchtregister van klager.