KC05/24-0358
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Brugge
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
Ordemaatregel
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - ARBEID - ONTSLAG
De eerste klacht gaat over de beslissing van 23 oktober 2024 van de directie waarbij ten aanzien van klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht gaat over de beslissing van 25 oktober 2024 van de directie waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
De derde klacht gaat over de beslissing van 25 oktober 2024 van de directie waarbij klager werd afgezet van zijn functie als sectiediender.
Over het opvragen van de Telio-berichten en rapportbriefjes:
Klager verzocht in zijn klachtenformulier om de berichten via Telio en de rapportbriefjes over zijn defecte telefoon te willen opvragen overeenkomstig artikel 154, § 3 Basiswet. De klachtencommissie acht het tuchtdossier en de daarin aanwezige stukken voldoende duidelijk om over de drie klachten van klager te oordelen. Zij acht het opvragen van deze stukken niet nuttig noch noodzakelijk voor de beoordeling van de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de drie klachten en gaat niet in op dit verzoek van klager.
Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
Deze klacht werd zodoende niet binnen de hierboven vermelde termijn van zeven dagen ingediend. Klager heeft geen omstandigheden vermeld waaruit kan worden afgeleid dat hij zijn klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden. De eerste klacht is om deze reden niet ontvankelijk.
Over de tweede klacht (de tuchtbeslissing):
Het RAD van 23 oktober 2024 (feiten van 17u30), op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd ingesteld. Klager werd diezelfde dag onder voorlopige maatregel geplaatst. Hij werd gehoord over deze feiten op de tuchtzitting van 25 oktober 2024, met bijstand van zijn advocaat. In de bestreden tuchtbeslissing werden één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Klager kreeg hiervoor de bijzondere tuchtsanctie van de ontzegging van het recht om te telefoneren gedurende twee weken (behalve met de advocaat, personen belast met rechtshulp of juridische bijstand en de federale ombudsman).
De klachtencommissie vindt deze beslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Zij stelt vast dat klager niet betwist dat hij het telefoontoestel op zijn cel gewisseld heeft met het telefoontoestel op de gang. Klager stelt dat hij het toestel pas op 22 oktober 2024 gewisseld heeft en hij niet met de code van andere gedetineerden gebeld heeft. In (de motivering van) de tuchtbeslissing geeft de directie duidelijk aan dat uit de registratiesystemen blijkt dat klager op het gewisselde toestel met
codes van andere gedetineerden gebeld heeft. De directie voegde de bedoelde registraties in het tuchtdossier. Hieruit kon zij terecht afleiden dat er zowel op 21 oktober 2024 als op 22 oktober 2024 op het door klager gewisselde toestel werd gebeld met codes van andere gedetineerden. Zij vond de ontkenning van klager ongeloofwaardig en motiveerde voldoende waarom dit het geval was. Dat klager vervolgens geen nauw contact zou onderhouden met de gedetineerde(n) van wie de codes werden gebruikt, doet niet ter zake. Op basis van de objectieve registraties staat vast dat met het gewisselde toestel en de vermelde codes werd gebeld.
De klachtencommissie wijst erop dat de directie aan zorgvuldige feitenvinding heeft gedaan. De tuchtbeslissing werd bovendien voldoende in rechte en in feite gemotiveerd.
Dat klager vervolgens de directie via Telio en/of rapportbriefjes zou hebben ingelicht van het feit dat zijn telefoontoestel op cel defect was, rechtvaardigt de door hem gepleegde tuchtinbreuken niet. Hoewel klager recht heeft op een functionerende telefoon, komt het niet aan hem toe om telefoontoestellen te wisselen. Klager kon bijvoorbeeld, indien hij meende dat zijn rechten geschonden werden en de directie niet reageerde op zijn vragen, de commissie van toezicht contacteren of rechtstreeks klacht indienen bij de klachtencommissie.
Ten slotte stelt de klachtencommissie vast dat aan klager een bijzondere tuchtsanctie werd opgelegd. Zij wijst erop dat dergelijke sancties kunnen worden opgelegd mits er een verband bestaat tussen de aard of omstandigheden van de tuchtinbreuk en de opgelegde sanctie. Dit verband moet worden gemotiveerd. In de bestreden beslissing werd dit verband niet gemotiveerd. De klachtencommissie wijst er echter op dat dit verband dermate duidelijk blijkt uit het tuchtdossier dat het ontbreken van een expliciete motivering ervan niet de onwettigheid, onredelijkheid of billijkheid van de bestreden tuchtbeslissing met zich meebrengt. De tweede klacht is niet gegrond.
De eerste klacht gaat over de beslissing van 23 oktober 2024 van de directie waarbij ten aanzien van klager een voorlopige maatregel werd opgelegd.
De tweede klacht gaat over de beslissing van 25 oktober 2024 van de directie waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.
De derde klacht gaat over de beslissing van 25 oktober 2024 van de directie waarbij klager werd afgezet van zijn functie als sectiediender.
Over het opvragen van de Telio-berichten en rapportbriefjes:
Klager verzocht in zijn klachtenformulier om de berichten via Telio en de rapportbriefjes over zijn defecte telefoon te willen opvragen overeenkomstig artikel 154, § 3 Basiswet. De klachtencommissie acht het tuchtdossier en de daarin aanwezige stukken voldoende duidelijk om over de drie klachten van klager te oordelen. Zij acht het opvragen van deze stukken niet nuttig noch noodzakelijk voor de beoordeling van de wettigheid, redelijkheid en billijkheid van de drie klachten en gaat niet in op dit verzoek van klager.
Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
Deze klacht werd zodoende niet binnen de hierboven vermelde termijn van zeven dagen ingediend. Klager heeft geen omstandigheden vermeld waaruit kan worden afgeleid dat hij zijn klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden. De eerste klacht is om deze reden niet ontvankelijk.
Over de tweede klacht (de tuchtbeslissing):
Het RAD van 23 oktober 2024 (feiten van 17u30), op basis waarvan een tuchtprocedure ten aanzien van klager werd ingesteld. Klager werd diezelfde dag onder voorlopige maatregel geplaatst. Hij werd gehoord over deze feiten op de tuchtzitting van 25 oktober 2024, met bijstand van zijn advocaat. In de bestreden tuchtbeslissing werden één tuchtinbreuk van eerste categorie aangekruist, zijnde de wederrechtelijke ontvreemding van goederen en één tuchtinbreuk van tweede categorie, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Klager kreeg hiervoor de bijzondere tuchtsanctie van de ontzegging van het recht om te telefoneren gedurende twee weken (behalve met de advocaat, personen belast met rechtshulp of juridische bijstand en de federale ombudsman).
De klachtencommissie vindt deze beslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Zij stelt vast dat klager niet betwist dat hij het telefoontoestel op zijn cel gewisseld heeft met het telefoontoestel op de gang. Klager stelt dat hij het toestel pas op 22 oktober 2024 gewisseld heeft en hij niet met de code van andere gedetineerden gebeld heeft. In (de motivering van) de tuchtbeslissing geeft de directie duidelijk aan dat uit de registratiesystemen blijkt dat klager op het gewisselde toestel met
codes van andere gedetineerden gebeld heeft. De directie voegde de bedoelde registraties in het tuchtdossier. Hieruit kon zij terecht afleiden dat er zowel op 21 oktober 2024 als op 22 oktober 2024 op het door klager gewisselde toestel werd gebeld met codes van andere gedetineerden. Zij vond de ontkenning van klager ongeloofwaardig en motiveerde voldoende waarom dit het geval was. Dat klager vervolgens geen nauw contact zou onderhouden met de gedetineerde(n) van wie de codes werden gebruikt, doet niet ter zake. Op basis van de objectieve registraties staat vast dat met het gewisselde toestel en de vermelde codes werd gebeld.
De klachtencommissie wijst erop dat de directie aan zorgvuldige feitenvinding heeft gedaan. De tuchtbeslissing werd bovendien voldoende in rechte en in feite gemotiveerd.
Dat klager vervolgens de directie via Telio en/of rapportbriefjes zou hebben ingelicht van het feit dat zijn telefoontoestel op cel defect was, rechtvaardigt de door hem gepleegde tuchtinbreuken niet. Hoewel klager recht heeft op een functionerende telefoon, komt het niet aan hem toe om telefoontoestellen te wisselen. Klager kon bijvoorbeeld, indien hij meende dat zijn rechten geschonden werden en de directie niet reageerde op zijn vragen, de commissie van toezicht contacteren of rechtstreeks klacht indienen bij de klachtencommissie.
Ten slotte stelt de klachtencommissie vast dat aan klager een bijzondere tuchtsanctie werd opgelegd. Zij wijst erop dat dergelijke sancties kunnen worden opgelegd mits er een verband bestaat tussen de aard of omstandigheden van de tuchtinbreuk en de opgelegde sanctie. Dit verband moet worden gemotiveerd. In de bestreden beslissing werd dit verband niet gemotiveerd. De klachtencommissie wijst er echter op dat dit verband dermate duidelijk blijkt uit het tuchtdossier dat het ontbreken van een expliciete motivering ervan niet de onwettigheid, onredelijkheid of billijkheid van de bestreden tuchtbeslissing met zich meebrengt. De tweede klacht is niet gegrond.