Ga verder naar de inhoud

KC05/24-0361

Ongegrond Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - WANDELING - MOTIVERING - KWALIFICATIEFOUT
De eerste klacht gaat over de beslissing van 25 oktober 2024 van de directie waarbij ten aanzien van klager een voorlopige maatregel werd opgelegd. De tweede klacht gaat over de beslissing van 28 oktober 2024 van de directie waarbij aan klager een tuchtsanctie werd opgelegd.

Over de eerste klacht (de voorlopige maatregel):
De directie heeft op 25 oktober 2024 een voorlopige maatregel tot een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd ten aanzien van klager. In deze beslissing werd aangekruist dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid voorhanden was. De klachtencommissie vindt de bestreden voorlopige maatregel onvoldoende gemotiveerd. In de beslissing wordt op geen enkele manier verduidelijkt of geconcretiseerd waarom de vermelde feiten
(het in groep buiten blijven op de wandeling) een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid zouden uitgemaakt hebben. In de beslissing wordt niet uiteengezet waarom het buiten blijven op de wandeling door klager een aantasting zou gevormd hebben van de toestand waarbij de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.

De klachtencommissie wijst er bovendien nog op dat in het verweer van de directeur wordt vermeld dat klager “omwille van het verstoren van de orde op een voorlopige maatregel [werd] geplaatst”. Zij wijst erop dat in de gevallen waarbij er louter een gevaar bestaat voor de orde, geen verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte kan worden opgelegd bij wijze van voorlopige maatregel. De eerste klacht is gegrond.

Over de tweede klacht (de tuchtbeslissing):
Ten aanzien van klager werd op 25 oktober 2024 een RAD opgesteld. Daarin wordt vermeld dat twee keer werd gevraagd aan de op de wandeling aanwezige gedetineerden (waaronder klager) om vroegtijdig naar binnen te komen, gelet op een vechtpartij. Klager weigerde dit, bleef op de wandeling en vormde een groep met andere gedetineerden die eveneens weigerden om de wandeling te verlaten. Ten aanzien van klager werd daarna een voorlopige maatregel opgelegd. Klager werd over deze feiten gehoord op de tuchtzitting van 28 oktober 2024, met bijstand van een advocaat.

In de bestreden tuchtbeslissing werden twee tuchtinbreuken van eerste categorie aangekruist, zijnde enerzijds de opzettelijke aantasting van de orde en anderzijds ook het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. Er werd ook één tuchtinbreuk van tweede categorie aangekruist, zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Klager kreeg als sanctie tien dagen ATV.

De klachtencommissie wijst erop dat twee tuchtinbreuken verkeerdelijk werden aangekruist in de tuchtbeslissing. Vooreerst werd aangekruist dat klager schuldig was aan het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen (een inbreuk van eerste categorie). Uit het verweer van de directie blijkt dat dit een materiële vergissing was en zij klager niet schuldig achtte aan deze tuchtinbreuk. Vervolgens werd aangekruist dat klager ook schuldig was aan het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (een inbreuk van tweede categorie). Volgens de klachtencommissie diende, in het licht van de motivering van de tuchtbeslissing, in de plaats daarvan aangekruist te worden dat klager schuldig was aan het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (eveneens een inbreuk van tweede categorie). De klachtencommissie beschouwt dit als materiële vergissingen, maar beveelt wel aan om dit aan te passen in het tuchtregister van klager, in zoverre dit nog niet gebeurd zou zijn. Dit gezegd zijnde, acht de klachtencommissie de bestreden tuchtinbreuk niet onwettig, onredelijk en onbillijk. De tweede klacht is niet gegrond.