Ga verder naar de inhoud

KC05/25-0020

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Tucht
TUCHT - MOTIVERING

De klacht betreft een tuchtbeslissing van 16 januari 2025 van de directie van de gevangenis van Brugge. Klager werd gesanctioneerd omdat hij tijdens een lopende ATV-sanctie mee is gegaan met de gemeenschappelijke wandeling.

Klager werd gesanctioneerd voor:
- het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen;
- het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden.

Hier kreeg hiervoor een sanctie van 1 week ATV opgelegd.

Wat betreft de inbreuk ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’, wordt in de motivering in één zin verwezen naar het huishoudelijk reglement. Er wordt echter volgens de klachtencommissie nergens verduidelijkt op welke bepaling de directie zich baseerde om deze tuchtinbreuk als bewezen te zien. De klachtencommissie acht de beslissing onwettig m.b.t. deze inbreuk, met name wegens de schending van de motiveringsplicht die op de directie rust.

Wat betreft de inbreuk ‘het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden’: de directie achtte deze inbreuk als voldoende bewezen op basis van de bewoordingen in het RAD. In het RAD wordt door een beambte beschreven hoe klager effectief meeging om de gemeenschappelijke wandeling, terwijl hij nog onder ATV zat. Aangezien klager op het moment van de feiten in ATV zat, was het voor hem inderdaad niet toegelaten om mee te gaan op de gemeenschappelijke wandeling. Door wel mee te gaan, bevond klager in kwestie zich op dat moment in een ruimte die men niet gerechtigd was te betreden. De feiten werden aldus correct gekwalificeerd als bovengenoemde inbreuk. In haar verweer schrijft de directie dat steeds aan iedereen gevraagd wordt om uit te cel te gaan voor de wandeling en dat de vraag dus niet specifiek aan hem gericht was. Daarnaast werd klager eerder nog iets geweigerd omwille van zijn verplicht verblijf in ATV, alsook werd de tuchtbeslissing correct aan hem betekend.
Gelet op bovenstaande, en het gegeven dat klager wel degelijk op de hoogte was van het op hem toepasselijke statuut, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.

De klacht tegen de tuchtbeslissing is aldus gedeeltelijk gegrond, in die zin dat de kwalificatie ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ uit de tuchtbeslissing geschrapt wordt. De tuchtbeslissing blijft voor het overige bestaan.