Ga verder naar de inhoud

KC05/25-0143

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN

Ten aanzien van klager werd een tuchtbeslissing genomen waarbij hij tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd met 2 weken ATV voor volgende tuchtinbreuken:
- het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties;
- het niet-naleven van het huishoudelijk reglement.

Tijdens een celcontrole werden een aantal zaken aangetroffen, m.n. dunne uitgesneden repen lint en plastiek met een aansteker aan bevestigd, een bemaipuleerde balpen met een scheermes op het uiteinde bevestigd, zwartgeblakers zilverpapier, een briefje met verdachte informatie, opgespaarde medicatie, opgerolde briefjes, een gescheurde kussensloop en een klopper van de sectie waarin een verdachte substantie werd aangetroffen.

Wat betreft de inbreuk van ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’: de directie vermeldt in de motivering van haar beslissing dat het bezit van de verdachte substantie in de klopper niet als tuchtinbreuk weerhouden werd en dat klager hiervoor het voordeel van de twijfel kreeg, aangezien dit niet getest kon worden. In haar schriftelijk verweer herhaalt de directie dat er voor deze feiten geen gevolg werd gegeven in de beslissing.
Desondanks maar de beslissing melding van een veroordeling voor de tuchtinbreuk van ‘bezit’. Aangezien er in het oorspronkelijke RAD geen melding wordt gemaakt van de vaststelling van andere wettelijk verboden substanties of voorwerpen in de cel, en gelet op het feit dat de directie hier evenmin over spreekt in haar beslissing, veronderstelt de klachtencommissie dat dit gaat om een materiële fout. De tuchtinbreuk van ‘bezit’ kan aldus niet weerhouden worden.

Wat betreft de inbreuk van ‘het niet naleven van het huishoudelijk reglement’: in het RAD wordt door een beambte beschreven hoe er tijdens een celcontrole enkele niet-toegelaten voorwerpen werden teruggevonden op klager zijn cel, waaronder een wapen gemaakt van een scheermesje en opgespaarde medicatie. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager ook toe dat deze voorwerpen aan hem toebehoorden.
Het bezit van voorwerpen die niet toegelaten zijn in de gevangenis (bv. ‘wapens’), of waarvan het feitelijk gebruik afgewend werd van hun normaal gebruik, maakt een schending uit van de bepalingen van het huishoudelijk regelement m.b.t. het ‘bezit van voorwerpen’. Daarnaast is het opsparen van medicatie eveneens in strijd met dit intern reglement. Het bewezen zijn van deze feiten, die als de tuchtinbreuk van ‘niet-naleving van het huishoudelijk regelement gekwalificeerd kunnen worden, werd bovendien voldoende gemotiveerd in de tuchtbeslissing.
Gelet op de motivering van de beslissing, met verwijzing naar het opgestelde RAD ten aanzien van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.

De klacht tegen de tuchtbeslissing is aldus gedeeltelijk gegrond, in die zin dat de kwalificatie ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ niet weerhouden kan worden. De klachtencommissie draagt de directie op om deze wijziging aan te passen in het tuchtregister van klager. De opgelegde tuchtsanctie wordt, zelfs na schrapping van één van de tuchtinbreuken, door de klachtencommissie nog als billijk beschouwd. De duur van de tuchtsanctie valt bovendien nog steeds binnen het maximum dat wettelijk toegelaten is voor een tuchtinbreuk van 2e categorie, met name 15 dagen.

De tuchtbeslissing blijft aldus voor het overige bestaan.