Ga verder naar de inhoud

KC05/25-0160

Ongegrond Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Tucht Ordemaatregel
TUCHT - ORDEMAATREGEL

De klacht gaat over een tuchtbeslissing en een ordemaatregel van de gevangenis van Brugge.

- Wat betreft de tuchtbeslissing

Klager werd gesanctioneerd met 2 weken ATV voor twee tuchtinbreuken van eerste categorie, zijnde ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ en ‘de opzettelijke aantasting van de orde’. Er werd ook één tuchtinbreuk van tweede categorie weerhouden, zijnde ‘het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel’. De directie was van mening dat klager verschillende tuchtrechtelijke inbreuken beging door in discussie te gaan met een beambte, waarbij hij zich dreigend en verbaal agressief opstelde.

Klager gaf tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting toe dat hij in discussie ging met de beambte, omdat hij niet akkoord ging met de manier waarop hij werd aangesproken. Hij ontkent wel een dreigende houding te hebben aangenomen. De klachtencommissie meent echter dat uit het RAD duidelijk blijkt dat klager zich dreigend opstelde. De bevindingen werden bovendien bevestigd door drie getuigen. Gelet op de vaststellingen uit het RAD en de verklaringen van klager, acht de klachtencommissie het redelijk dat de directeur de feiten bewezen achtte en ze aan klager toerekende.

De directie heeft uit deze feiten en de bekentenissen van klager afgeleid dat hij opzettelijk de orde had aangetast (inbreuk van de eerste categorie) en de orders van het personeel niet opvolgde (inbreuk van de tweede categorie). Dit acht de klachtencommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De directie heeft ook gemotiveerd in haar tuchtbeslissing waarom zij deze twee tuchtinbreuken bewezen achtte.

De klachtencommissie wijst erop dat in de tuchtbeslissing ook werd aangekruist dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan de inbreuk van de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee (inbreuk van de eerste categorie). Hoewel in de motivering van de tuchtbeslissing werd opgenomen dat deze inbreuk wordt weerhouden, motiveert de directie niet waarom zij deze inbreuk bewezen achtte. De klachtencommissie wijst erop dat het de bedoeling is om iedere aangekruiste tuchtinbreuk duidelijk te motiveren. Dit kan wel degelijk van belang zijn, aangezien bijvoorbeeld het verschil tussen een belediging (inbreuk van tweede categorie) en een aantasting van de psychische integriteit (inbreuk van eerste categorie) een impact kan hebben op het maximum van de sanctie die kan worden opgelegd. In dit dossier was er echter ook al een andere inbreuk van eerste categorie.

In dit dossier blijkt voor de klachtencommissie, gelet op het RAD, waarom de directie meende dat er een opzettelijke aantasting was van de psychische integriteit van de betrokken beambte. Dat de directie uit het RAD heeft afgeleid dat er sprake was van een aantasting van de psychische integriteit van de beambte was of minstens de bedreiging daarmee, acht de klachtencommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van twee weken ATV. De tuchtsanctie was wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten.

De klacht over de tuchtbeslissing is niet gegrond.

- Wat betreft de ordemaatregel tot mutatie naar het gesloten regime

Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. De ordemaatregel in dit dossier is genomen op dezelfde dag als de tuchtbeslissing. Uit de motivering van de ordemaatregel blijkt dat feitelijke motieven waarop deze is gestoeld, dezelfde zijn als deze van de tuchtbeslissing. Er zijn geen andere feiten die aanleiding hebben gegeven tot de ordemaatregel. Bijgevolg blijkt de ordemaatregel enkel gebaseerd op dit incident, waarvoor klager ook tuchtrechtelijk wordt gesanctioneerd. De directie heeft dus in feite een bijkomende sanctie gekoppeld aan de tuchtinbreuk, die niet voorzien is in de wet.

Minstens had uit de motivering moeten blijken waarom deze tuchtinbreuk dermate ernstig was dat de daaropvolgende tuchtsanctie van twee weken ATV op zich onvoldoende was om de orde op duurzame wijze te herstellen, of in het licht van welke andere incidenten de directie tot een regimemutatie beslist. Dat zou bijvoorbeeld kunnen blijken wanneer de regimemutatie niet louter uit het feit van de tuchtinbreuk volgt, maar eerder uit een opeenvolging van incidenten. De klachtencommissie meent dat deze ordemaatregel zich voordoet als een tweede (bijkomende) tuchtsanctie, waardoor deze onwettig is.

Klager haalt daarnaast aan dat hij door deze sectiemutatie eveneens als niet-roker bij een roker op cel werd geplaatst. Ter zitting van de klachtencommissie gaf klager te kennen dat de directie op de hoogte was van het feit dat hij niet rookt. De directie erkent in haar verweer dat het niet de bedoeling kan zijn om niet-rokers in dezelfde cel te plaatsen als rokers, maar dat er mogelijk op het moment van de mutatie geen plaats vrij was bij een niet-roker en dit een tijdelijke oplossing betrof. Ze gaf hierbij ook aan dat er naar een oplossing werd gezocht. Of er dus werkelijk sprake was van een situatie waarbij er geen plaats was voor klager op een niet-rokerscel op het moment van zijn mutatie, is voor de klachtencommissie onduidelijk. De klachtencommissie sloot zich in het verleden reeds aan bij het standpunt van de directie van de gevangenis van Brugge dat het “not done” is om rokers en niet-rokers bij elkaar op cel te plaatsen. Zij meent dan ook dat het onredelijk was om klager als niet-roker bij een roker te plaatsen.

De tweede klacht is dan ook gegrond.