TUCHT - KWALIFICATIE - HUISHOUDELIJK REGLEMENT
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing waarbij klager werd gesanctioneerd met 30 dagen ATV voor “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken”.
De directie nam haar beslissing op basis van een RAD waarin een personeelslid beschrijft hoe er tijdens een celcontrole op de cel van klager en zijn celgenoten in de sigarettenschieter een aantal zaken worden aangetroffen, met name “1 USB-stick, 2 verdachte substantie, 1 pil”. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, geeft klager zelf toe dat de verdachte substantie (hasj), de USB-stick en de pil (Diazepam) aan hem toebehoren. De directie verwijst in haar tuchtbeslissing naar deze bekentenis. De klachtencommissie meent dat hiermee duidelijk is bewezen en gemotiveerd dat de gevonden zaken inderdaad aan klager toebehoren.
De directie kwalificeert het bezit van de verboden substantie (hasj) als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie het bezit van de USB-stick kwalificeert als “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” en het bezit van de pil als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”, beiden tuchtinbreuken van de eerste categorie .
De klachtencommissie wijst er echter op dat beide tuchtfeiten gekwalificeerd moeten worden als inbreuken op het huishoudelijk reglement, een tuchtinbreuk van de tweede categorie. De directie verwijst wat betreft de USB-stick in haar verweer en de motivering van haar tuchtbeslissing terecht naar de bepaling in het huishoudelijk reglement waaruit blijkt dat het in het bezit zijn van digitale informatiedragers niet toegelaten is in de gevangenis. Wat betreft de pil, verwijst zij in haar verweer opnieuw terecht naar het huishoudelijk reglement, m.n. naar de bepaling over niet-voorgeschreven medicatie. Het kwalificeren van deze feiten als respectievelijk “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”, is dus niet correct.
Klager werd gesanctioneerd met 30 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (ATV). De sanctie is wettig. Klager meent dat de tuchtsanctie overdreven is en wijst erop dat een celgenoot in eenzelfde situatie met slecht 5 dagen ATV werd gesanctioneerd. De Basiswet bepaalt dat de directeur de keuze heeft om over de aard en de omvang van de tuchtsanctie te beslissen. De directeur dient daarbij rekening te houden met de wettelijk bepaalde maximumsanctie en met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de sanctie. De straftoemeting is dus individueel. De klachtencommissie acht de aan klager opgelegde sanctie, ook na herkwalificatie, niet onredelijk of onbillijk, gelet op de verschillende inbreuken die klager beging.
Gelet op de hervorming van de kwalificatie van twee van de drie tuchtfeiten, is de klacht gedeeltelijk gegrond.
De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 10 oktober 2025 en stelt haar beslissing in de plaats van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van 30 dagen ATV wegens twee inbreuken van de eerste categorie, zijnde “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”
wordt vervangen door
- de tuchtsanctie van 30 dagen ATV wegens één inbreuk van de eerste categorie, zijnde “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en één inbreuk van de tweede categorie, zijnde “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing waarbij klager werd gesanctioneerd met 30 dagen ATV voor “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken”.
De directie nam haar beslissing op basis van een RAD waarin een personeelslid beschrijft hoe er tijdens een celcontrole op de cel van klager en zijn celgenoten in de sigarettenschieter een aantal zaken worden aangetroffen, met name “1 USB-stick, 2 verdachte substantie, 1 pil”. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, geeft klager zelf toe dat de verdachte substantie (hasj), de USB-stick en de pil (Diazepam) aan hem toebehoren. De directie verwijst in haar tuchtbeslissing naar deze bekentenis. De klachtencommissie meent dat hiermee duidelijk is bewezen en gemotiveerd dat de gevonden zaken inderdaad aan klager toebehoren.
De directie kwalificeert het bezit van de verboden substantie (hasj) als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie het bezit van de USB-stick kwalificeert als “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” en het bezit van de pil als “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”, beiden tuchtinbreuken van de eerste categorie .
De klachtencommissie wijst er echter op dat beide tuchtfeiten gekwalificeerd moeten worden als inbreuken op het huishoudelijk reglement, een tuchtinbreuk van de tweede categorie. De directie verwijst wat betreft de USB-stick in haar verweer en de motivering van haar tuchtbeslissing terecht naar de bepaling in het huishoudelijk reglement waaruit blijkt dat het in het bezit zijn van digitale informatiedragers niet toegelaten is in de gevangenis. Wat betreft de pil, verwijst zij in haar verweer opnieuw terecht naar het huishoudelijk reglement, m.n. naar de bepaling over niet-voorgeschreven medicatie. Het kwalificeren van deze feiten als respectievelijk “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”, is dus niet correct.
Klager werd gesanctioneerd met 30 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (ATV). De sanctie is wettig. Klager meent dat de tuchtsanctie overdreven is en wijst erop dat een celgenoot in eenzelfde situatie met slecht 5 dagen ATV werd gesanctioneerd. De Basiswet bepaalt dat de directeur de keuze heeft om over de aard en de omvang van de tuchtsanctie te beslissen. De directeur dient daarbij rekening te houden met de wettelijk bepaalde maximumsanctie en met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de sanctie. De straftoemeting is dus individueel. De klachtencommissie acht de aan klager opgelegde sanctie, ook na herkwalificatie, niet onredelijk of onbillijk, gelet op de verschillende inbreuken die klager beging.
Gelet op de hervorming van de kwalificatie van twee van de drie tuchtfeiten, is de klacht gedeeltelijk gegrond.
De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing van 10 oktober 2025 en stelt haar beslissing in de plaats van de vernietigde beslissing. Concreet betekent dit het volgende:
- de tuchtsanctie van 30 dagen ATV wegens twee inbreuken van de eerste categorie, zijnde “het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken” en “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”
wordt vervangen door
- de tuchtsanctie van 30 dagen ATV wegens één inbreuk van de eerste categorie, zijnde “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en één inbreuk van de tweede categorie, zijnde “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.