Ga verder naar de inhoud

KC05/26-0155

Ongegrond KC - Brugge Klachtencommissie Tucht
TUCHT

De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij klaagster wordt gesanctioneerd met 30 dagen ATV wegens ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’.

De tuchtbeslissing is gebaseerd op de waarneming dat klaagster tijdens een fouille op het lichaam probeerde om een zakje met bruine kristalachtige substantie weg te steken in haar broekzak. Uit de motivering van de daaropvolgend genomen voorlopige maatregel blijkt dat klaagster toegaf dat ze het product nuttigde en tijdens de controle verklaarde dat de substantie MDMA was. Ze zei dat de gevonden substanties haar toebehoorde en dat de substantie was aangekocht op de wandeling.

Klaagster geeft aan dat het MDMA is, maar dat het van haar celgenote is. Ze had dit wel vast bij het binnenkomen.

De klachtencommissie vindt de tuchtbeslissing niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Dat de directie klaagster schuldig heeft geacht aan en gesanctioneerd heeft met 30 dagen ATV, valt binnen haar discretionaire bevoegdheid. Volgens het eerste RAD, dat werd ondertekend door twee getuigen, gaf klaagster aan dat de tijdens de celcontrole aangetroffen zaken - waaronder ook een sigaret met verdachte geur en een restje verdachte groene substantie – van haar waren. Zoals beschreven in het tweede RAD, ondertekend door drie getuigen, had klaagster bij de celcontrole een zakje met verdachte middelen in haar handen. Dit gaf ze ook toe op de tuchtrechtelijke hoorzitting.

Volgens de klachtencommissie kon de directie op basis van deze informatie besluiten dat er sprake was van bezit of handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De directie heeft in de tuchtbeslissing duidelijk gemotiveerd waarom zij de feiten als bewezen beschouwde en op basis van welke overwegingen zij klaagster ook schuldig achtte aan de tuchtinbreuk.

De klacht is ongegrond.