Ga verder naar de inhoud

KC05/26-0175

Gegrond KC - Brugge Klachtencommissie Andere beslissing directeur
ARBEID - ONTSLAG

De klacht gaat over een ordemaatregel van de directie van de gevangenis van Brugge waarbij klager wordt afgezet van zijn werk.

Klager wordt via een ordemaatregel afgezet van zijn werk in werkplaats 6. De ordemaatregel wordt als volgt gemotiveerd:

“Gelet betrokkene tucht kreeg voor het bezit van verboden substantie en een GSM.
Gelet betrokkene om die reden muteert naar een gesloten sectie.”

Klager wordt hierbij ook geschrapt van alle wachtlijsten. Hij kan een nieuwe werkaanvraag indienen vanaf drie maanden na ingang van de ordemaatregel.

De directeur kan een gedetineerde onder andere ontslaan wanneer hij hem niet langer geschikt acht voor de arbeidspost. Dat de directeur de gedetineerde niet langer geschikt acht voor de arbeidspost kan zich volgens de dienstnota onder andere voordoen wanneer de gedetineerde een tuchtinbreuk begaat die tot gevolg heeft dat de werkrelatie niet langer mogelijk is (vertrouwensbreuk). In dat geval wordt een schriftelijk gemotiveerde ordemaatregel tot afzetting van werk genomen en kan de gedetineerde onmiddellijk een nieuwe werkaanvraag doen die door de directeur beoordeeld wordt.

In voorliggend dossier werd klager tuchtrechtelijk gesanctioneerd omdat hij in het bezit werd bevonden van een verboden substantie en een gsm. Uit het verweer van de directie, leidt de klachtencommissie af dat deze situatie onder bovenstaande hypothese valt.

De dienstnota verduidelijkt dat wanneer de ontslagbeslissing genomen wordt naar aanleiding van een tuchtinbreuk, ze in geen geval een verdoken (bijkomende) tuchtsanctie mag zijn of lijken. De motivering dient te verduidelijken waarom de gedetineerde, ingevolge de gepleegde feiten niet langer geschikt wordt geacht voor de werkpost. Artikel 143, §3 van de Basiswet bepaalt dat de tuchtsanctie afzonderlijk of cumulatief kunnen worden opgelegd, met uitzondering van de opsluiting in een strafcel en ATV, die alleen kunnen worden opgelegd met uitsluiting van de andere tuchtsancties – zoals het verbod om deel te nemen aan werk in gemeenschappelijk verband.

De directie verwijst in haar motivering naar het bezit van een verboden substantie en een gsm, hetgeen ook tuchtinbreuken uitmaken (voor dewelke klager werd gesanctioneerd met 30 dagen ATV). Vervolgens stelt ze dat klager om die reden naar een gesloten sectie muteerde. Meer uitleg wordt er niet gegeven. Er wordt in de beslissing niet verwezen naar een vertrouwensbreuk die hieruit voortvloeide, die de beëindiging van de werkrelatie zou hebben verantwoord. In haar verweer haalt de directie dit wel aan.

Door de manier waarop de ontslagbeslissing werd gemotiveerd, lijkt het dan ook om een verdoken tuchtsanctie te gaan, hetgeen in strijd is met artikel 143, §3 van de Basiswet en de bepalingen uit de dienstnota.

De klachtencommissie stelt bovendien vast dat klager pas na drie maanden een nieuwe werkaanvraag kan indienen. Ook dit is in strijd met wat de dienstnota bepaalt: indien de gedetineerde wordt afgezet wegens een vertrouwensbreuk, kan de hij onmiddellijk een nieuwe werkaanvraag doen die door de directeur beoordeeld wordt.

De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. Klager herneemt zijn job onmiddellijk , indien er plaats is. Indien er geen plaats is, dient klager bovenaan de wachtlijst hiervoor geplaatst te worden.