KC06/24-0174
Gegrond
KC - Dendermonde
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - GEGROND - TEGEMOETKOMING
De klacht betreft de beslissing tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel van de directie van de gevangenis.
Klager werpt in zijn klacht een schending van artikel 111 van de basiswet op.
Voorafgaand aan de vraag of de directeur kon besluiten tot het bestaan van ‘ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde of de veiligheid’ om de bestreden bijzondere veiligheidsmaatregel op te leggen, rijst volgens de klachtencommissie de vraag of de directie in het licht van artikel 111 van de basiswet een bijzondere veiligheidsmaatregel kon opleggen zonder eerst een tuchtprocedure in te stellen.
Wil de directie in afwachting van de afloop van de tuchtprocedure veiligheidsmaatregelen treffen, dan moet de directie overeenkomstig artikel 145 van de basiswet voorlopige maatregelen treffen, zoals zij aanvankelijk deed.
Aldus dient te worden bepaald of de poging tot ontvluchting tijdens de medische uithaling naar de gevangenis een tuchtvergrijp uitmaakt, aangezien de directie bijgevolg niet wettig aan klager een BVM kon opleggen.
In de gegeven omstandigheden ziet de klachtencommissie niet in waarom de directeur niet is overgegaan tot het volgen van de tuchtprocedure na het opleggen van de voorliggende maatregel en met alle waarborgen van dien, waaronder in het bijzonder het recht op bijstand van een raadsman.
Artikel 111 van de basiswet is geschonden, zodat de klacht gegrond is.
Als tegemoetkoming kent de klachtencommissie aan klager één extra wandeling toe die moet worden toegekend binnen de maand na de betekening van deze beslissing.
De klacht betreft de beslissing tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel van de directie van de gevangenis.
Klager werpt in zijn klacht een schending van artikel 111 van de basiswet op.
Voorafgaand aan de vraag of de directeur kon besluiten tot het bestaan van ‘ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde of de veiligheid’ om de bestreden bijzondere veiligheidsmaatregel op te leggen, rijst volgens de klachtencommissie de vraag of de directie in het licht van artikel 111 van de basiswet een bijzondere veiligheidsmaatregel kon opleggen zonder eerst een tuchtprocedure in te stellen.
Wil de directie in afwachting van de afloop van de tuchtprocedure veiligheidsmaatregelen treffen, dan moet de directie overeenkomstig artikel 145 van de basiswet voorlopige maatregelen treffen, zoals zij aanvankelijk deed.
Aldus dient te worden bepaald of de poging tot ontvluchting tijdens de medische uithaling naar de gevangenis een tuchtvergrijp uitmaakt, aangezien de directie bijgevolg niet wettig aan klager een BVM kon opleggen.
In de gegeven omstandigheden ziet de klachtencommissie niet in waarom de directeur niet is overgegaan tot het volgen van de tuchtprocedure na het opleggen van de voorliggende maatregel en met alle waarborgen van dien, waaronder in het bijzonder het recht op bijstand van een raadsman.
Artikel 111 van de basiswet is geschonden, zodat de klacht gegrond is.
Als tegemoetkoming kent de klachtencommissie aan klager één extra wandeling toe die moet worden toegekend binnen de maand na de betekening van deze beslissing.