KC06/25-0065
Ongegrond
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Dendermonde
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - RECHT OP BIJSTAND - TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE OP HET LICHAAM
De klacht is vijfledig.
De klacht over de beslissingen tot fouille op het lichaam van 14 februari 2025 is niet-ontvankelijk. Klager blijft heel vaag in de beschrijving van dit deel van zijn klacht: hij vinkt aan dat hij zich beklaagt over de fouilles op het lichaam die op 14 februari 2025 bij hem werden uitgevoerd. Hij beschrijft echter niet waarover hij precies klacht indient. Uit de beschrijving van de klachten blijkt voornamelijk dat hij eerder de uitvoering van de voorlopige maatregel en de uiteindelijk tuchtbeslissing viseert. Dit deel van de klacht is onvoldoende nauwkeurig.
De klacht over het verlies van klagers ketting is niet-ontvankelijk. De directie heeft klager de nodige informatie over de te volgen procedure bij verlies gegeven. Klager heeft op het moment van de hoorzitting nog niet het vereiste formulier om de procedure aan te vangen binnengebracht. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de nodige stappen ondernomen heeft. Er is ten aanzien van de directie geen sprake van een verzuim of weigering om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn.
De klacht over het gegeven dat klager niet naar zijn advocaat kon bellen is niet-ontvankelijk. Uit de hoorzitting van de klachtencommissie blijkt dat klager een aantal verzoeken had gericht aan een beambte. Klager had zijn verzoeken echter niet gericht aan de directie, die dagelijks langskwam bij de gedetineerde. De klacht is aldus niet gericht tegen een beslissing van de directie.
Wat betreft de klacht over (uitvoering van de) voorlopige maatregel:
Klager kreeg twee verschillende voorlopige maatregelen opgelegd. Klager beklaagt zich echter enkel over (de uitvoering van) de voorlopige maatregel die ten aanzien van hem werd opgelegd naar aanleiding van het conflict met een cipier. Klager kreeg in dit geval een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager werd hiervoor in een beveiligde cel geplaatst.
Klager signaleert de agressieve manier waarop hij in de veiligheidscel werd geplaatst. Hij werd op bed gegooid en zijn kleding werd van hem afgetrokken.
De directie ontkent niet dat er middelen van dwang en immobilisatie zijn gebruikt tijdens de plaatsing van klager op de veiligheidscel, maar benadrukt dat deze verlopen zijn volgens de wettelijke procedures en algemene instructies.
In het register waarin melding wordt gemaakt van de uitgevoerde dwangmaatregel, wordt melding gemaakt van de tegenstribbeling van klager om vrijwillig naar de beveiligde cel te gaan enerzijds, waardoor de begeleiding onder dwang noodzakelijk werd. Anderzijds meldt de notitie in het register de blijvende stribbeling in de cel bij het verzoek om over te gaan tot de verplichte kledijwissel, waardoor de dwang verdergezet diende te worden.
De klachtencommissie kan begrijpen waarom de directie van oordeel was dat de plaatsing met dwang gepaard diende te gaan. Het voorliggende RAD en de voorlopige maatregel beschrijft de situatie en de bedreigende, agressieve houding van klager voldoende duidelijk. Zij erkent de noodzaak van de maatregelen van dwang die werden bevolen en in de praktijk werden toegepast. De maatregelen van fixatie die werden toegepast, waren evenmin buitenproportioneel en duurden niet langer dan strikt noodzakelijk was. De klachtencommissie oordeelt dat de instructies van de directie om haar beslissing met behulp van maatregelen van rechtstreeks dwang te laten uitvoeren wettig, redelijk en billijk waren. De klacht is niet gegrond.
Wat betreft de klacht over de tuchtbeslissing van 19 februari 2025:
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor vier inbreuken.
Wat betreft de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”: de klachtencommissie kan uit het opgestelde RAD duidelijk feiten van fysieke agressie (of een bedreiging hiermee) in hoofde van klager afleiden. Klager ontkent het bestaan van deze feiten ook niet en erkent hij dat zijn reactie niet correct was. Het bewijs van deze feiten en de kwalificatie hiervan als ‘fysieke agressie’, wordt voldoende gemotiveerd in de tuchtbeslissing. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”: in een RAD van 14 februari beschrijft een beambte hoe de belediging van ‘dik varken’ tegen een cipier geuit werden door klager. Dit werd door klager niet ontkend. Het eerste RAD dat ten aanzien van hem werd opgesteld op 12 februari 2025 vermeldt eveneens een geuite belediging naar een vrouwelijke beambte. Hoewel klager ontkent dat hij deze woorden zelf gezegd heeft, waren er volgens de klachtencommissie geen redenen voor de directie om te twijfelen aan de formulering van het RAD. Gelet op de motivering van de beslissing, met verwijzing naar 2 opgestelde RAD’s ten aanzien van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie deze tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”: de directie motiveert in haar beslissing onvoldoende in welke mate debeledigende uitspraken eveneens als ‘opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ beschouwd dienen te worden. Voor het bewezen achten van deze inbreuk is het niet voldoende dat er bepaalde zaken geuit worden, maar dient ook melding gemaakt te worden van specifieke verbale dreigementen en de mentale impact op de persoon aan wie de uitingen gericht werden. De directie vermeldt kort in haar tuchtbeslissing dat klager door zijn verbale agressie de psychische integriteit van het personeel heeft aangetast, maar gaat niet verder in op de motivering van deze stelling. De directie maakt bijvoorbeeld geen melding van een verklaring van het personeelslid, over hoe hij de uitingen heeft geïnterpreteerd, en of dit voor hem als een bedreiging van zijn psychische integriteit aanvoelde. Dit laatste is iets zeer subjectief. Zonder verdere motivering of bevraging is het voor de klachtencommissie dan ook een raadsel hoe de directie tot deze conclusie kon komen. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op het moment van het nemen van de beslissing niet in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van deze tuchtinbreuk. De aanwezigheid van een ‘bedreiging van de psychische integriteit’, werd bovendien niet voldoende gemotiveerd. Deze tuchtinbreuk wordt niet weerhouden.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”: in de motivering wordt niet verder ingegaan op deze tuchtrechtelijke inbreuk. Er wordt volgens de klachtencommissie in de beslissing onvoldoende verduidelijkt op welke feiten en op welke bepaling van het huishoudelijk reglement de directie zich baseerde om deze tuchtinbreuk als bewezen te zien. De klachtencommissie acht de beslissing onwettig m.b.t. deze inbreuk, met name wegens de schending van de motiveringsplicht die op de directie rust. Deze tuchtinbreuk wordt niet weerhouden.
In zijn klacht haalt klager ten slotte zijn herhaaldelijke verzoeken aan om de beschikbare camerabeelden te bekijken. Indien de RAD’s voldoende duidelijk zijn opgesteld en er geen overtuigende tegenindicaties zijn, bestaat er geen enkele verplichting voor de directie om in te gaan op een verzoeken tot bijkomende onderzoeks-verrichtingen (zoals in casu het bekijken van de camerabeelden) De klachtencommissie acht de weigering van de directie om in te gaan op het verzoek van klager aldus niet onzorgvuldig.
De tuchtbeslissing blijft voor het overige bestaan.
De klacht is vijfledig.
De klacht over de beslissingen tot fouille op het lichaam van 14 februari 2025 is niet-ontvankelijk. Klager blijft heel vaag in de beschrijving van dit deel van zijn klacht: hij vinkt aan dat hij zich beklaagt over de fouilles op het lichaam die op 14 februari 2025 bij hem werden uitgevoerd. Hij beschrijft echter niet waarover hij precies klacht indient. Uit de beschrijving van de klachten blijkt voornamelijk dat hij eerder de uitvoering van de voorlopige maatregel en de uiteindelijk tuchtbeslissing viseert. Dit deel van de klacht is onvoldoende nauwkeurig.
De klacht over het verlies van klagers ketting is niet-ontvankelijk. De directie heeft klager de nodige informatie over de te volgen procedure bij verlies gegeven. Klager heeft op het moment van de hoorzitting nog niet het vereiste formulier om de procedure aan te vangen binnengebracht. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de nodige stappen ondernomen heeft. Er is ten aanzien van de directie geen sprake van een verzuim of weigering om een beslissing te nemen binnen een redelijke termijn.
De klacht over het gegeven dat klager niet naar zijn advocaat kon bellen is niet-ontvankelijk. Uit de hoorzitting van de klachtencommissie blijkt dat klager een aantal verzoeken had gericht aan een beambte. Klager had zijn verzoeken echter niet gericht aan de directie, die dagelijks langskwam bij de gedetineerde. De klacht is aldus niet gericht tegen een beslissing van de directie.
Wat betreft de klacht over (uitvoering van de) voorlopige maatregel:
Klager kreeg twee verschillende voorlopige maatregelen opgelegd. Klager beklaagt zich echter enkel over (de uitvoering van) de voorlopige maatregel die ten aanzien van hem werd opgelegd naar aanleiding van het conflict met een cipier. Klager kreeg in dit geval een voorlopige maatregel opgelegd voor “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. Klager werd hiervoor in een beveiligde cel geplaatst.
Klager signaleert de agressieve manier waarop hij in de veiligheidscel werd geplaatst. Hij werd op bed gegooid en zijn kleding werd van hem afgetrokken.
De directie ontkent niet dat er middelen van dwang en immobilisatie zijn gebruikt tijdens de plaatsing van klager op de veiligheidscel, maar benadrukt dat deze verlopen zijn volgens de wettelijke procedures en algemene instructies.
In het register waarin melding wordt gemaakt van de uitgevoerde dwangmaatregel, wordt melding gemaakt van de tegenstribbeling van klager om vrijwillig naar de beveiligde cel te gaan enerzijds, waardoor de begeleiding onder dwang noodzakelijk werd. Anderzijds meldt de notitie in het register de blijvende stribbeling in de cel bij het verzoek om over te gaan tot de verplichte kledijwissel, waardoor de dwang verdergezet diende te worden.
De klachtencommissie kan begrijpen waarom de directie van oordeel was dat de plaatsing met dwang gepaard diende te gaan. Het voorliggende RAD en de voorlopige maatregel beschrijft de situatie en de bedreigende, agressieve houding van klager voldoende duidelijk. Zij erkent de noodzaak van de maatregelen van dwang die werden bevolen en in de praktijk werden toegepast. De maatregelen van fixatie die werden toegepast, waren evenmin buitenproportioneel en duurden niet langer dan strikt noodzakelijk was. De klachtencommissie oordeelt dat de instructies van de directie om haar beslissing met behulp van maatregelen van rechtstreeks dwang te laten uitvoeren wettig, redelijk en billijk waren. De klacht is niet gegrond.
Wat betreft de klacht over de tuchtbeslissing van 19 februari 2025:
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor vier inbreuken.
Wat betreft de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”: de klachtencommissie kan uit het opgestelde RAD duidelijk feiten van fysieke agressie (of een bedreiging hiermee) in hoofde van klager afleiden. Klager ontkent het bestaan van deze feiten ook niet en erkent hij dat zijn reactie niet correct was. Het bewijs van deze feiten en de kwalificatie hiervan als ‘fysieke agressie’, wordt voldoende gemotiveerd in de tuchtbeslissing. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie de tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”: in een RAD van 14 februari beschrijft een beambte hoe de belediging van ‘dik varken’ tegen een cipier geuit werden door klager. Dit werd door klager niet ontkend. Het eerste RAD dat ten aanzien van hem werd opgesteld op 12 februari 2025 vermeldt eveneens een geuite belediging naar een vrouwelijke beambte. Hoewel klager ontkent dat hij deze woorden zelf gezegd heeft, waren er volgens de klachtencommissie geen redenen voor de directie om te twijfelen aan de formulering van het RAD. Gelet op de motivering van de beslissing, met verwijzing naar 2 opgestelde RAD’s ten aanzien van klager, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie deze tuchtinbreuk redelijkerwijze als bewezen en toerekenbaar aan klager kon beschouwen.
Wat betreft de tuchtinbreuk “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”: de directie motiveert in haar beslissing onvoldoende in welke mate debeledigende uitspraken eveneens als ‘opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ beschouwd dienen te worden. Voor het bewezen achten van deze inbreuk is het niet voldoende dat er bepaalde zaken geuit worden, maar dient ook melding gemaakt te worden van specifieke verbale dreigementen en de mentale impact op de persoon aan wie de uitingen gericht werden. De directie vermeldt kort in haar tuchtbeslissing dat klager door zijn verbale agressie de psychische integriteit van het personeel heeft aangetast, maar gaat niet verder in op de motivering van deze stelling. De directie maakt bijvoorbeeld geen melding van een verklaring van het personeelslid, over hoe hij de uitingen heeft geïnterpreteerd, en of dit voor hem als een bedreiging van zijn psychische integriteit aanvoelde. Dit laatste is iets zeer subjectief. Zonder verdere motivering of bevraging is het voor de klachtencommissie dan ook een raadsel hoe de directie tot deze conclusie kon komen. De klachtencommissie is van oordeel dat de directie op het moment van het nemen van de beslissing niet in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van deze tuchtinbreuk. De aanwezigheid van een ‘bedreiging van de psychische integriteit’, werd bovendien niet voldoende gemotiveerd. Deze tuchtinbreuk wordt niet weerhouden.
Wat betreft de tuchtinbreuk “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”: in de motivering wordt niet verder ingegaan op deze tuchtrechtelijke inbreuk. Er wordt volgens de klachtencommissie in de beslissing onvoldoende verduidelijkt op welke feiten en op welke bepaling van het huishoudelijk reglement de directie zich baseerde om deze tuchtinbreuk als bewezen te zien. De klachtencommissie acht de beslissing onwettig m.b.t. deze inbreuk, met name wegens de schending van de motiveringsplicht die op de directie rust. Deze tuchtinbreuk wordt niet weerhouden.
In zijn klacht haalt klager ten slotte zijn herhaaldelijke verzoeken aan om de beschikbare camerabeelden te bekijken. Indien de RAD’s voldoende duidelijk zijn opgesteld en er geen overtuigende tegenindicaties zijn, bestaat er geen enkele verplichting voor de directie om in te gaan op een verzoeken tot bijkomende onderzoeks-verrichtingen (zoals in casu het bekijken van de camerabeelden) De klachtencommissie acht de weigering van de directie om in te gaan op het verzoek van klager aldus niet onzorgvuldig.
De tuchtbeslissing blijft voor het overige bestaan.