TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde.
De directie mag in de motivering van de tuchtbeslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD van 18/04/2025. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen.
De motivering voldoet volgens de klachtencommissie ook aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet, aangezien deze ingaat op de elementen waaruit het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel blijken. De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het RAD als deze inbreuken werden gekwalificeerd. De klachtencommissie acht voormelde kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Vervolgens schrijft de raadsman van klager het volgende in zijn klacht:
“[Klager] werd op basis van dit feit onderworpen aan een tuchtzitting. Hij bracht daar zijn verhaal naar voren. De toenmalige directrice oordeelde dat het gepast was om hem een voorwaardelijke sanctie op te leggen, rekening houdend met de omstandigheden.
Echter, enige tijd later werd een tweede tuchtrapport, met betrekking tot hetzelfde feitencomplex, behandeld door een andere directrice, terwijl de eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie nog niet was omgezet. Deze tweede sanctie was bovendien zwaarder dan de oorspronkelijke. Er werd hierbij onvoldoende rekening gehouden met het feit dat [klager] niet de initiatiefnemer noch de verantwoordelijke was van het incident.”
De klachtencommissie meent dat klager zich vergist. Hij werd op basis van een RAD van 15/04/2025 (dat betrekking heeft op feiten van 15/04/2025) gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 18/04/2025. Hij kreeg bij tuchtbeslissing van 18/04/2025 een voorwaardelijke tuchtsanctie opgelegd. Onderhavige zaak heeft betrekking op een RAD van 18/04/2025 (feiten die op die dag zijn voorgevallen) en een tuchtbeslissing van 22/04/2025. Het gaat dus niet om dezelfde feiten.
Klager werd bovendien ook gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 22/04/2025. Er werd derhalve voldaan aan het ‘effectief’ horen van klager. De klachtencommissie meent dat de beslissing niet in strijd is met de regels van behoorlijk bestuur en het recht op verdediging.
De klachtencommissie stelt derhalve vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De klachtencommissie zou aan klager voor deze tuchtinbreuken van de tweede categorie maximaal 15 dagen ATV kunnen opleggen. Klager kreeg 7 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd. De klachtencommissie meent dat de tuchtsanctie niet willekeurig en disproportioneel is. Om bovenstaande redenen is de klacht ongegrond.
De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde.
De directie mag in de motivering van de tuchtbeslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD van 18/04/2025. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen.
De motivering voldoet volgens de klachtencommissie ook aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet, aangezien deze ingaat op de elementen waaruit het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel blijken. De klachtencommissie acht het niet onredelijk dat de feiten beschreven in het RAD als deze inbreuken werden gekwalificeerd. De klachtencommissie acht voormelde kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.
Vervolgens schrijft de raadsman van klager het volgende in zijn klacht:
“[Klager] werd op basis van dit feit onderworpen aan een tuchtzitting. Hij bracht daar zijn verhaal naar voren. De toenmalige directrice oordeelde dat het gepast was om hem een voorwaardelijke sanctie op te leggen, rekening houdend met de omstandigheden.
Echter, enige tijd later werd een tweede tuchtrapport, met betrekking tot hetzelfde feitencomplex, behandeld door een andere directrice, terwijl de eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie nog niet was omgezet. Deze tweede sanctie was bovendien zwaarder dan de oorspronkelijke. Er werd hierbij onvoldoende rekening gehouden met het feit dat [klager] niet de initiatiefnemer noch de verantwoordelijke was van het incident.”
De klachtencommissie meent dat klager zich vergist. Hij werd op basis van een RAD van 15/04/2025 (dat betrekking heeft op feiten van 15/04/2025) gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 18/04/2025. Hij kreeg bij tuchtbeslissing van 18/04/2025 een voorwaardelijke tuchtsanctie opgelegd. Onderhavige zaak heeft betrekking op een RAD van 18/04/2025 (feiten die op die dag zijn voorgevallen) en een tuchtbeslissing van 22/04/2025. Het gaat dus niet om dezelfde feiten.
Klager werd bovendien ook gehoord op de tuchtrechtelijke hoorzitting van 22/04/2025. Er werd derhalve voldaan aan het ‘effectief’ horen van klager. De klachtencommissie meent dat de beslissing niet in strijd is met de regels van behoorlijk bestuur en het recht op verdediging.
De klachtencommissie stelt derhalve vast dat de tuchtprocedure door de directie correct gevolgd werd. De klachtencommissie zou aan klager voor deze tuchtinbreuken van de tweede categorie maximaal 15 dagen ATV kunnen opleggen. Klager kreeg 7 dagen ATV opgelegd. De klachtencommissie stelt vast dat de directie rekening heeft gehouden met de omvang van de feiten en geen onredelijk zware straf heeft opgelegd. De klachtencommissie meent dat de tuchtsanctie niet willekeurig en disproportioneel is. Om bovenstaande redenen is de klacht ongegrond.