Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0173

Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Tucht
TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING

De directeur heeft zich voor het bewijs van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de RAD’s van 23 en 24 mei 2025. In het RAD van 23 mei 2025 wordt beschreven hoe klager in discussie treedt met een beambte die hem vraagt om de deur te sluiten. Klager kon niet tot bedaren gebracht worden en zijn taalgebruik groeide uit tot beledigingen in het Nederlands en het Frans. In het RAD van 24 mei 2025 wordt beschreven hoe klager in discussie treedt met een beambte omtrent het sorteren van afval. Klager weigerde zijn afval te sorteren nadat hij hierop werd aangesproken. Na een volgende aanmaning werd klager verbaal agressief naar de beambte én de fatik. Bij het sluiten van de deur bleef klager doelbewust in de deuropening staan. Wanneer de beambte klager naar zijn verblijfsruimte wil begeleiden verzet klager zich. Er ontstaat duw- en trekwerk, waarbij de beambte met zijn elleboog tegen de deur terechtkomt. Ter tuchtzitting betwist klager de feiten uit het eerste RAD niet. Hij zegt niet te weten waarom hij deze uitspraken deed. Omtrent het tweede RAD stelt klager enkel dat hij niet wist dat hij fruit- en groenteafval apart moest sorteren. Hij zou gezegd hebben dat hij geen vuilnisman is. Hij zou zich ook al geëxcuseerd hebben bij de chef voor de daaropvolgende discussie. Pas in het schrijven dat klager op 28 mei 2025 aan de directie richtte (na het nemen van de tuchtbeslissing) betwist klager plots het RAD van 24 mei 2025, waarbij hij zegt dat hij de beambte niet heeft aangevallen, maar dat het net de beambte is die hem met twee handen geduwd heeft. Deze betwisting herhaalt hij ook in zijn klacht. De klachtencommissie wijst erop dat klager pas met deze betwisting kwam nádat de directie de tuchtbeslissing had genomen, zodat de directie er op het ogenblik van het nemen van de tuchtbeslissing geen rekening mee kon houden. Ter tuchtzitting bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen over de waarachtigheid van de RAD’s. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de erin opgenomen feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten (volgens de aankruising in de tabel) als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). In de motivering werd er ook nog verwezen naar het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze inbreuk werd niet aangekruist. De klachtencommissie acht de kwalificatie en de motivering op verschillende punten gebrekkig. De klachtencommissie wijst er vooreerst op dat het niet de bedoeling is dat de motivering enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met de RAD’s. De directie dient de feiten die in de RAD’s werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft. In het voorliggend dossier is het bij sommige kwalificaties niet duidelijk op welk gedrag van klager ze terugslaan. Dit is met name het geval bij de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie vermoedt dat de kwalificatie zou kunnen slaan op het duw- en trekwerk met de beambte waarna de beambte met de elleboog tegen de deur komt. Dit is op zich echter niet duidelijk op te maken uit de tuchtbeslissing alleen. Bovendien bevat de motivering de nietszeggende (wellicht onvolledige) zin “De beambten staan in voor de orde en de veiligheid en moeten deze dan ook ten alle gevangenis.” De directie stelde bovendien onterecht dat deze feiten ook een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaakten. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden uit de motivering. De klachtencommissie wijst erop dat deze tuchtinbreuk in elk geval niet werd aangekruist in de tabel. De klachtencommissie wijst er daarnaast op dat de aangekruiste kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet) niet werd hernomen in de motivering. De klachtencommissie leest in de RAD’s ook geen feiten die als zodanig gekwalificeerd zouden kunnen worden. Indien deze inbreuk zou slaan op de beledigingen die klager uitte, meent de klachtencommissie dat enkel de tuchtinbreuk van het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) aan de orde zou zijn. De tuchtinbreuk van artikel 129, 2° Basiswet dient dan ook geschrapt te worden. De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet) correct in de zin dat ze in het RAD verschillende aanmaningen leest die door klager niet gevolgd worden, doch merkt nogmaals op dat deze aanmaningen hernomen hadden moeten worden in de tuchtbeslissing zelf. Ook hier wenst de klachtencommissie de aandacht te vestigen op twee gebreken in de motivering. In het kader van deze tuchtinbreuk verwijzen naar een passage uit het huishoudelijk reglement die een loutere overname vormt van het algemene gedragsvoorschrift uit artikel 106, §2 Basiswet is niet pertinent en potentieel verwarrend. De bepaling van artikel 130, 3° Basiswet is ook hier de (enige) rechtsgrond om het niet volgen van bevelen te kwalificeren als een tuchtinbreuk. De directie formuleert de motivering van deze tuchtinbreuk als volgt: “De gevangenis is een omgeving waar normen en regels noodzakelijk zijn om het voor iedereen leefbaar te houden. Het is de bedoeling dat hij de instructies van de beambten op een rustige manier uitvoert. Dit om de goede werking, de orde en de veiligheid niet in gedrang te brengen.” Hoewel de directie hiermee op zich natuurlijk niets verkeerd zegt, meent de klachtencommissie dat de directie met deze formulering wel erg in het vaarwater komt van de tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). De orde wordt door artikel 2, 7° Basiswet immers gedefinieerd als “een toestand waarin gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis” Gelet op deze tekortkomingen inzake de kwalificatie van de feiten en de motivering ervan, oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.