ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - VERTROUWENSFUNCTIE
Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Het is precies om te vermijden dat ontslagbeslissingen die op een tuchtinbreuk volgen een verdoken tuchtsanctie zijn of lijken, dat de dienstnota ‘Arbeid – Tucht – Veiligheidsmaatregel’ van de Directie Juridische Dienst van 18.06.2015 in deze hypothese voorschrijft om slechts na afloop van de tuchtsanctie te beoordelen of het werk nog beschikbaar is en desgevallend zo nodig een gemotiveerde ontslagbeslissing te nemen. In het voorliggend dossier werd de ordemaatregel op dezelfde dag als de tuchtbeslissing genomen. De directie is in beginsel gehouden de eigen beleidsregels te volgen, in het licht van de rechtszekerheid in verband met een discretionaire bevoegdheid. De plicht om de eigen beleidsregels na te leven kan evenwel worden doorbroken indien een in recht en redelijkheid aanvaardbaar motief voorhanden is om een afwijking in het individuele geval te verantwoorden (BC/23-0239). Volgens de klachtencommissie was dit motief in het voorliggend dossier voorhanden. Klager liet zich in met verboden substanties én fysieke agressie ten aanzien van een medegedetineerde. Deze elementen konden volgens de klachtencommissie in redelijkheid leiden tot een onmiddellijk ontslag uit een vertrouwensfunctie. De klachtencommissie acht het in het voorliggend dossier niet onredelijk dat de directie de afloop van de tuchtsanctie van 15 dagen ATV niet afwachtte alvorens klager bij ordemaatregel te ontslaan. De klachtencommissie ziet immers niet in hoe het louter verstrijken van de 15 dagen tuchtsanctie in hoofde van de directie tot een ander oordeel zou kunnen leiden omtrent de ongeschiktheid van klager voor een vertrouwensfunctie.
In het voorliggend dossier blijkt uit de motivering van de ordemaatregel dat de aanleiding ervan inderdaad gelegen is in de tuchtrechtelijke feiten. Toch betreft het volgens de klachtencommissie géén verdoken tuchtsanctie, nu de ordemaatregel blijkens de motivering wordt ingegeven door het feit dat de tuchtinbreuken het vertrouwen van de directie ernstig heeft geschonden. De directie acht klager dan ook niet langer geschikt voor een vertrouwensfunctie. De klachtencommissie acht deze beoordeling redelijk. De klacht is ongegrond.
Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Het is precies om te vermijden dat ontslagbeslissingen die op een tuchtinbreuk volgen een verdoken tuchtsanctie zijn of lijken, dat de dienstnota ‘Arbeid – Tucht – Veiligheidsmaatregel’ van de Directie Juridische Dienst van 18.06.2015 in deze hypothese voorschrijft om slechts na afloop van de tuchtsanctie te beoordelen of het werk nog beschikbaar is en desgevallend zo nodig een gemotiveerde ontslagbeslissing te nemen. In het voorliggend dossier werd de ordemaatregel op dezelfde dag als de tuchtbeslissing genomen. De directie is in beginsel gehouden de eigen beleidsregels te volgen, in het licht van de rechtszekerheid in verband met een discretionaire bevoegdheid. De plicht om de eigen beleidsregels na te leven kan evenwel worden doorbroken indien een in recht en redelijkheid aanvaardbaar motief voorhanden is om een afwijking in het individuele geval te verantwoorden (BC/23-0239). Volgens de klachtencommissie was dit motief in het voorliggend dossier voorhanden. Klager liet zich in met verboden substanties én fysieke agressie ten aanzien van een medegedetineerde. Deze elementen konden volgens de klachtencommissie in redelijkheid leiden tot een onmiddellijk ontslag uit een vertrouwensfunctie. De klachtencommissie acht het in het voorliggend dossier niet onredelijk dat de directie de afloop van de tuchtsanctie van 15 dagen ATV niet afwachtte alvorens klager bij ordemaatregel te ontslaan. De klachtencommissie ziet immers niet in hoe het louter verstrijken van de 15 dagen tuchtsanctie in hoofde van de directie tot een ander oordeel zou kunnen leiden omtrent de ongeschiktheid van klager voor een vertrouwensfunctie.
In het voorliggend dossier blijkt uit de motivering van de ordemaatregel dat de aanleiding ervan inderdaad gelegen is in de tuchtrechtelijke feiten. Toch betreft het volgens de klachtencommissie géén verdoken tuchtsanctie, nu de ordemaatregel blijkens de motivering wordt ingegeven door het feit dat de tuchtinbreuken het vertrouwen van de directie ernstig heeft geschonden. De directie acht klager dan ook niet langer geschikt voor een vertrouwensfunctie. De klachtencommissie acht deze beoordeling redelijk. De klacht is ongegrond.