Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0188

Ongegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Tucht Ordemaatregel
TUCHT - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - MOTIVERING

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in twee RAD’s van 18 juni 2025 die over hetzelfde incident handelen. Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk.

Klager dient klacht in tegen een ontslagbeslissing. Klager werd bij ordemaatregel van 20 juni 2025 ontslagen uit zijn functie bij de wasserij. Eenzelfde feit kan zowel aanleiding geven tot een tuchtsanctie, als tot een ordemaatregel, voor zover deze geen verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Het is precies om te vermijden dat ontslagbeslissingen die op een tuchtinbreuk volgen een verdoken tuchtsanctie zijn of lijken, dat de dienstnota van DG EPI in deze hypothese voorschrijft om slechts na afloop van de tuchtsanctie te beoordelen of het werk nog beschikbaar is en desgevallend zo nodig een gemotiveerde ontslagbeslissing te nemen. In het voorliggend dossier werd de ordemaatregel op dezelfde dag als de tuchtbeslissing genomen. De directie is in beginsel gehouden de eigen beleidsregels te volgen, in het licht van de rechtszekerheid in verband met een discretionaire bevoegdheid. De plicht om de eigen beleidsregels na te leven kan evenwel worden doorbroken indien een in recht en redelijkheid aanvaardbaar motief voorhanden is om een afwijking in het individuele geval te verantwoorden (BC/23-0239). Volgens de klachtencommissie was dit motief in het voorliggend dossier voorhanden. Klager liet zich in met fysieke agressie ten aanzien van een medegedetineerde. Dit element kon volgens de klachtencommissie in redelijkheid leiden tot een onmiddellijk ontslag, aangezien dit ook niet de enige reden was. Er was al sprake van een geschiedenis van agressieve en antisociale houding. Deze tuchtinbreuk was dan ook de spreekwoordelijke druppel. De klachtencommissie acht het in het voorliggend dossier dan ook niet onredelijk dat de directie de afloop van de tuchtsanctie van 10 dagen ATV niet afwachtte alvorens klager bij ordemaatregel te ontslaan. De klachtencommissie ziet immers niet in hoe het louter verstrijken van de 10 dagen tuchtsanctie in hoofde van de directie tot een ander oordeel zou kunnen leiden omtrent de ongeschiktheid van klager voor deze functie. In het voorliggend dossier blijkt uit de motivering van de ordemaatregel dat de aanleiding ervan inderdaad gelegen is in een tuchtrechtelijk feit. Toch betreft het volgens de klachtencommissie géén verdoken tuchtsanctie, nu de ordemaatregel blijkens de motivering niet alleen wordt ingegeven door het feit dat de tuchtinbreuk het vertrouwen van de directie ernstig heeft geschonden maar ook dat het al geruime tijd moeilijk samenwerken is met klager vanwege zijn agressieve en antisociale houding. De directie acht klager dan ook niet langer geschikt voor de functie in de wasserij. De klachtencommissie stelt vast dat hetgeen de directie in de motivering aanhaalt strookt met de gegevens uit de observatiefiche. Bovendien stellen de aangehaalde elementen klager in zijn staat om de reden van zijn ontslag te begrijpen. De klachtencommissie acht de beslissing wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.