KC06/25-0209
Ongegrond
Gegrond
KC - Dendermonde
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - TERMIJN
Klager kreeg als voorlopige maatregel de uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten opgelegd. De klachtencommissie merkt op dat bijlage 6 van CB 145 slordig werd ingevuld. De opdeling van artikel 145 Basiswet werd met name niet gerespecteerd. Afhankelijk van de gekozen rechtsgrond op basis waarvan de voorlopige maatregel wordt opgelegd (lees: eerste of tweede lid van artikel 145 Basiswet), kan de directie bepaalde maatregelen nemen. In het voorliggend dossier kruiste de directie de bovenste rechtsgrond aan, “motiveerde” dit vervolgens door enkel te verwijzen naar “FOL + RAD 04/07/25” en kruiste vervolgens aan dat klager uitgesloten werd van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten. Daarnaast werd er een uitvoerigere motivering geplaatst onder de tweede rechtsgrond, maar daaronder werd géén voorlopige maatregel aangekruist. De klachtencommissie meent dat dit niet respecteren van de opdeling van artikel 145 Basiswet deels te wijten is aan het formulier CB 124 bijlage 6 zoals ontworpen door DG EPI. In bijlage 6 gaat DG EPI ervan uit dat een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, eerste lid Basiswet) ook steeds een “louter” gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, tweede lid Basiswet) inhoudt, waardoor de minder zware maatregelen óók onder de eerste rechtsgrond mogen worden opgelegd. De Nederlandstalige Beroepscommissie aanvaardt deze visie (BC/24-0222). In het voorliggend dossier kan er echter bezwaarlijk gesproken worden van een motivering van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De directie verwees immers louter naar “FOL + RAD 04/07/25”, zonder enig element hieruit over te nemen. De directie plaatste dan wel nog een motivering onder de rechtsgrond gevaar voor de orde of de veiligheid. De klachtencommissie stelt echter vast dat deze motivering een louter relaas van de feiten betreft, letterlijk overgenomen uit het RAD van 4 juli 2025. In welke zin deze feiten een gevaar voor de orde of de veiligheid uitmaken en waarom een voorlopige maatregel aldus noodzakelijk was, wordt op geen enkele wijze gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd dan ook op onvoldoende gemotiveerde wijze genomen waardoor ze niet voldoet aan artikel 145 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 4 juli 2025. Hierin wordt beschreven hoe er bij het lossen voor de ochtendwandeling een indringende, verdachte geur in de kamer van klager wordt waargenomen. Bij een fouillering van klager aan de kledij werd dezelfde geur op zijn kleding waargenomen. Vervolgens werd klager aan een fouillering op het lichaam onderworpen. Wanneer klager zijn slip moest uitdoen, gaf hij vrijwillig een joint en een witte verpakking van 4 gram met daarin wiet af. Ter tuchtzitting erkende klager het bezit van de drugs. De advocaat stelde dat er geen gevolg kon gegeven worden aan de feiten omdat de tuchtzitting buiten termijn plaatsvond (meer dan 72u na het ingaan van de voorlopige maatregel). Ook wenste zij de weging van de drugs af te wachten, nu in het RAD staat dat het om 4 gram zou gaan, terwijl klager voor 2 gram betaalde. Volgens de klachtencommissie bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De advocate voerde het niet respecteren van de termijn van 72 uur aan. De termijn werd met 5 minuten overschreden. Gelet op het gegeven dat het geen vervaltermijn betreft, meent de klachtencommissie niet dat deze overschrijding aanleiding geeft tot de nietigheid van de tuchtbeslissing. Bovendien blijkt ook uit de tuchtbeslissing dat de duur van de voorlopige maatregel in mindering werd gebracht van de tuchtsanctie. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg als voorlopige maatregel de uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten opgelegd. De klachtencommissie merkt op dat bijlage 6 van CB 145 slordig werd ingevuld. De opdeling van artikel 145 Basiswet werd met name niet gerespecteerd. Afhankelijk van de gekozen rechtsgrond op basis waarvan de voorlopige maatregel wordt opgelegd (lees: eerste of tweede lid van artikel 145 Basiswet), kan de directie bepaalde maatregelen nemen. In het voorliggend dossier kruiste de directie de bovenste rechtsgrond aan, “motiveerde” dit vervolgens door enkel te verwijzen naar “FOL + RAD 04/07/25” en kruiste vervolgens aan dat klager uitgesloten werd van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten. Daarnaast werd er een uitvoerigere motivering geplaatst onder de tweede rechtsgrond, maar daaronder werd géén voorlopige maatregel aangekruist. De klachtencommissie meent dat dit niet respecteren van de opdeling van artikel 145 Basiswet deels te wijten is aan het formulier CB 124 bijlage 6 zoals ontworpen door DG EPI. In bijlage 6 gaat DG EPI ervan uit dat een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, eerste lid Basiswet) ook steeds een “louter” gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, tweede lid Basiswet) inhoudt, waardoor de minder zware maatregelen óók onder de eerste rechtsgrond mogen worden opgelegd. De Nederlandstalige Beroepscommissie aanvaardt deze visie (BC/24-0222). In het voorliggend dossier kan er echter bezwaarlijk gesproken worden van een motivering van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. De directie verwees immers louter naar “FOL + RAD 04/07/25”, zonder enig element hieruit over te nemen. De directie plaatste dan wel nog een motivering onder de rechtsgrond gevaar voor de orde of de veiligheid. De klachtencommissie stelt echter vast dat deze motivering een louter relaas van de feiten betreft, letterlijk overgenomen uit het RAD van 4 juli 2025. In welke zin deze feiten een gevaar voor de orde of de veiligheid uitmaken en waarom een voorlopige maatregel aldus noodzakelijk was, wordt op geen enkele wijze gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd dan ook op onvoldoende gemotiveerde wijze genomen waardoor ze niet voldoet aan artikel 145 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 4 juli 2025. Hierin wordt beschreven hoe er bij het lossen voor de ochtendwandeling een indringende, verdachte geur in de kamer van klager wordt waargenomen. Bij een fouillering van klager aan de kledij werd dezelfde geur op zijn kleding waargenomen. Vervolgens werd klager aan een fouillering op het lichaam onderworpen. Wanneer klager zijn slip moest uitdoen, gaf hij vrijwillig een joint en een witte verpakking van 4 gram met daarin wiet af. Ter tuchtzitting erkende klager het bezit van de drugs. De advocaat stelde dat er geen gevolg kon gegeven worden aan de feiten omdat de tuchtzitting buiten termijn plaatsvond (meer dan 72u na het ingaan van de voorlopige maatregel). Ook wenste zij de weging van de drugs af te wachten, nu in het RAD staat dat het om 4 gram zou gaan, terwijl klager voor 2 gram betaalde. Volgens de klachtencommissie bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 20 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk. De advocate voerde het niet respecteren van de termijn van 72 uur aan. De termijn werd met 5 minuten overschreden. Gelet op het gegeven dat het geen vervaltermijn betreft, meent de klachtencommissie niet dat deze overschrijding aanleiding geeft tot de nietigheid van de tuchtbeslissing. Bovendien blijkt ook uit de tuchtbeslissing dat de duur van de voorlopige maatregel in mindering werd gebracht van de tuchtsanctie. De klacht is ongegrond.