Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0247

Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - HUISHOUDELIJK REGLEMENT

De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Dendermonde.

Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 30 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de eerste categorie “het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en de inbreuk van de tweede categorie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.

Wat de inbreuk “het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” betreft, verklaart klager dat het toetsenbord niet van hem is. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het rapport aan de directeur. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen.

De motivering voldoet volgens de klachtencommissie ook aan de vereisten van artikel 8 van de Basiswet, aangezien deze ingaat op de elementen waaruit het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties blijkt. De directie heeft haar discretionaire bevoegdheid niet overschreden in het bewezen achten van de feiten en de toerekening hiervan aan klager. Klager verbleef in een monocel. Volgens de klachtencommissie zijn voldoende elementen die erop wijzen dat hij minstens bij het plegen van deze tuchtinbreuk betrokken was. Gelet op bovenstaande meent de klachtencommissie dat de directie de feiten redelijkerwijze als bewezen kon verklaren. De waarnemingen door de beambten werden volgens de klachtencommissie voldoende geïndividualiseerd en geobjectiveerd. De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk dan ook bewezen en meent dat de directie deze aan klager kon toerekenen.

Vervolgens acht de klachtencommissie de dubbele kwalificatie van de feiten als zijnde het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen daarentegen niet correct. De klachtencommissie wijst erop dat deze algemene bepaling van het huishoudelijk reglement een loutere overname is van de algemene gedragsvoorschriften van artikel 106, §1 en §2 van de Basiswet en dat deze bepaling in het huishoudelijk reglement daardoor op zichzelf géén tuchtinbreuk in het leven roept. Het niet respecteren van deze passage kan met andere woorden niet opgevat worden als een overtreding van het huishoudelijk reglement.

De wetgever heeft het zelf niet nodig gevonden om een inbreuk op artikel 106 als een tuchtinbreuk aan te merken. In de plaats daarvan riep zij, gelet op het legaliteitsbeginsel van artikel 124, §1 van de Basiswet, een aantal specifieke tuchtinbreuken in het leven: het niet-naleven van het huishoudelijk reglement, het geen gevolg geven aan aanmaningen en bevelen van het personeel en het verstoren van de orde. Dergelijke dubbele kwalificatie aanvaarden zou steevast en automatisch leiden tot een samenloop van tuchtinbreuken , terwijl deze in dat geval eigenlijk intern overlappend zijn.

In het voorliggend dossier kan de kwalificatie van de feiten als het niet-naleven van het huishoudelijk reglement volgens de klachtencommissie dan ook niet overeind blijven.

Klager kon voor deze tuchtinbreuken maximaal 30 dagen ATV opleggen. Klager kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met de omvang van de feiten en de tuchtrechtelijke antecedenten van klager rekening heeft gehouden.

Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. De klachtencommissie zegt dat haar uitspraak in de plaats treedt, namelijk voormelde kwalificatie dient geschrapt te worden. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.