Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0308

Ongegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLERING - VM - TUCHT

De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Tijdens een observatie op sectie heeft een beambte immers vastgesteld dat – nadat hij de geur van een verdachte substantie had opgemerkt en door het winket keek – klager vermoedelijk verboden substanties aan het verbergen was in zijn verblijfruimte. De klachtencommissie stelt vast dat het RAD voldoende duidelijk is opgesteld. Klager motiveert bovendien nergens in zijn klacht waarom hij de fouillering op het lichaam betwist. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.

Uit de motivering van de voorlopige maatregel en het RAD blijkt duidelijk dat tijdens de celcontrole in een broodzak van klager verschillende voorverpakte bolletjes werden gevonden met een bruine verdachte substantie in. Zowel de afzonderlijke verpakking als de grote hoeveelheid wijst op het dealen van drugs. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was.

Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. De klachtencommissie stelt vast dat een grote hoeveelheid aan verboden substanties, namelijk 31,7 gram, afzonderlijk verpakt werden teruggevonden in de broodzak die aan klager toebehoort. Betrokkene geeft zelf op de tuchtrechtelijke hoorzitting toe dat de broodzak aan hem toebehoort, maar dat hij niet weet wanneer een celgenoot de drugs er zou hebben ingestoken. De Nederlandstalige Beroepscommissie heeft in het kader van de vondst van verboden substanties geoordeeld dat wanneer celgenoten hun betrokkenheid bij de tuchtrechtelijke inbreuk ontkennen, de individuele verantwoordelijkheid van een gedetineerde kan worden vastgesteld op basis van de plaats en de hoeveelheid van de verboden substantie. De klachtencommissie volgt de motivering van de directie dat klager verantwoordelijk is voor zijn eigen materiaal op cel. De klachtencommissie hecht geen geloofwaardigheid aan de stelling van klager dat het zenuwachtig gedrag, zoals vastgesteld in het RAD , kwam doordat hij zijn badge aan het zoeken zou zijn. Het feit dat tijdens de fouillering op het lichaam van klager geen andere drugs werden gevonden, doet geen afbreuk aan de bewezenverklaring van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.