Ga verder naar de inhoud

KC06/25-0333

Gegrond KC - Dendermonde Klachtencommissie Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - ONTSLAG - HOORPLICHT

Een gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid. Het is de directeur die instaat voor de toewijzing van deze arbeid en dit aan de gedetineerden die om arbeid hebben verzocht. Ook het ontnemen van werk is een beslissing die in principe toekomt aan de directeur. De Basiswet voorziet niet in een specifieke procedure voor de afzetting van werk van een gedetineerde.

De klachtencommissie stelt vast dat klager onder situatie 2.1. van de nota ‘arbeid - tucht - veiligheidsmaatregel’ van 28 november 2024 valt, namelijk dat de gedetineerde niet beschikt over de vereiste ‘technische’ kwaliteiten om het werk correct uit te voeren of om een andere reden niet geschikt is voor de betrokken arbeidspost. Als voorbeelden vermeldt de nota onder meer problemen met stiptheid, regelmaat of samenwerking met anderen. De richtlijnen bepalen dat dit tot gevolg heeft dat de gedetineerde van zijn werk wordt afgezet. Deze maatregel dient schriftelijk te worden genomen en gemotiveerd. De motivering moet de gedetineerde in staat stellen te begrijpen waarom hij niet langer als ‘geschikt’ wordt beschouwd.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie de ordemaatregel schriftelijk motiveerde. Ook werd voldaan aan de vereiste dat de motivering moet toelaten dat de gedetineerde begrijpt waarom hij niet langer als ‘geschikt’ wordt beschouwd voor de arbeidspost.

Wat betreft de formele hoorplicht alvorens een gedetineerde te ontslaan, verwijst de klachtencommissie naar de rechtspraak van de Nederlandstalige beroepscommissie hierover. De Nederlandstalige beroepscommissie heeft hierover het volgende geoordeeld:

‘Vooraleer toepassing te kunnen maken van de hoorplicht moeten er vooreerst twee voorwaarden cumulatief vervuld zijn (vaste rechtspraak Raad van State: RvS 28 april 2008, nr. 182.454):
• Het moet gaan om een ernstige maatregel die van aard is om de belangen van de bestuurde zwaar aan te tasten;
• De maatregel moet gegrond zijn op een gegeven dat de bestuurde als een tekortkoming wordt aangerekend, het moet m.a.w. gaan om een maatregel die gegrond is op zijn persoonlijke gedrag.

De beroepscommissie is van oordeel dat de ordemaatregel tot afzetting van werk een zeer verregaande en ingrijpende maatregel voor de gedetineerde is waarbij de belangen van de gedetineerde sterk worden aangetast. Een ontslag kan namelijk heel concrete gevolgen hebben, zoals inkomstenderving, gevolgen voor de procedure van de strafuitvoering, het wegvallen van een zinvolle tijdsbesteding, ...’.

De klachtencommissie is van oordeel dat in casu voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden voor de hoorplicht, zoals geoordeeld door de Raad van State. De beslissing tot ontslag was een ernstige maatregel die de belangen van de klager zwaar heeft aangetast. Daarnaast is het duidelijk dat de bestreden ontslagbeslissing het gevolg is van een ‘tekortkoming’ van klager, onder meer vanwege zijn houding tegenover het personeel, waarover hij beschuldigingen uit, en wegens het moeilijk kunnen samenwerken met andere gedetineerden.

Volgens de rechtspraak vervalt de hoorplicht wanneer het horen niet meer nuttig kan zijn (RvS 19 februari 2009, nr. 190.646), zoals wanneer er sprake is van een gebonden bevoegdheid. De beroepscommissie stelt hierover dat het toewijzen van arbeid (inclusief het ontzetten uit arbeid) geen gebonden, maar een discretionaire bevoegdheid betreft, waarbij de directeur vrij kan oordelen over de geschiktheid van de gedetineerde voor een bepaalde werkplaats.

De klachtencommissie oordeelt, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State en de Nederlandstalige beroepscommissie, dat de directie klager had moeten horen alvorens de ontslagbeslissing te nemen of hem de kans had moeten geven om zijn standpunt te verdedigen. De beslissing is niet genomen met inachtneming van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Om deze redenen is de klacht gegrond.

De klachtencommissie vernietigt de ontslagbeslissing van 28 november 2025 en zegt dat de directeur, conform artikel 158, § 4, eerste lid van de Basiswet, de gevolgen van de vernietigde beslissing ongedaan moet maken. Indien klager zijn functie niet onmiddellijk kan hernemen, dient hij bovenaan de wachtlijst geplaatst te worden.

Bijgevolg komt de gegrondverklaring van de klacht overeen met de gevraagde tegemoetkoming van klager, zodat de klachtencommissie geen andere tegemoetkoming toekent.