KC06/25-0340
Ongegrond
KC - Dendermonde
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
VERZUIM - VOEDING - GEZONDHEID
Klager dient klacht in over het feit dat de directie hem geen aangepast dieet aan zijn gezondheidstoestand zou verschaffen.
De klachtencommissie wijst op artikel 42 van de Basiswet, waaruit volgt dat een gedetineerde voldoende voedsel moet krijgen dat voldoet aan de normen van de moderne hygiëne en, indien nodig, aan de vereisten van zijn gezondheidstoestand aangepast is. Het aanbieden van voeding die aangepast is aan de gezondheidstoestand van een gedetineerde maakt deel uit van de zorgplicht van de gevangenisdirecteur.
Artikel 88 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde recht heeft op een gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving. Deze bepaling is nog niet in werking getreden. Immers, overeenkomstig artikel 180 van de Basiswet bepaalt de Koning de datum, waarop die wet of afzonderlijke bepalingen ervan in werking treden. Op artikel 98 na, zijn de bepalingen van hoofdstuk VII ‘Gezondheidszorg’ van titel V ‘Levensvoorwaarden in de gevangenis’, zo ook artikel 88, nog niet in werking getreden. Dit neemt niet weg dat gedetineerden recht hebben op gezondheidszorg. Het is een recht dat nog wordt bevestigd door artikel 96 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen.
Artikel 5 van de Basiswet bepaalt dat ‘de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer (wordt) gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen (…)’. En artikel 2, 11° van de Basiswet duidt de ‘penitentiaire administratie’ aan als het openbaar bestuur dat belast is met de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. Op de penitentiaire administratie rust bijgevolg de verantwoordelijkheid om een rechtsconforme en menswaardige strafuitvoering te waarborgen.
In dergelijke omstandigheden rust op de directeur de verantwoordelijkheid om, rekening houdend met de concrete omstandigheden van het individuele dossier, binnen een redelijke termijn de nodige stappen te ondernemen om te verzekeren dat de gedetineerde voeding ontvangt, die aangepast is aan zijn gezondheidstoestand.
De klachtencommissie is van oordeel dat sprake is van een beklagwaardig verzuim om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen, nu uit de klacht van klager blijkt dat aan zijn verzoek tot op heden geen gevolg is gegeven.
De klacht is ontvankelijk.
Op basis van verkregen informatie van de grootkeuken, stelt de klachtencommissie vast dat aan klager wel degelijk een dieet wordt verstrekt dat is aangepast aan zijn gezondheidstoestand.
Dat de bloedsuikerwaarden van klager onvoldoende onder controle zijn, doet op zich geen afbreuk aan deze vaststelling. Uit de verstrekte informatie blijkt bovendien dat klager regelmatig bijkomende voedingswaren aankoopt via de kantine. De klachtencommissie kan dan ook niet uitsluiten dat deze bijkomende voeding een invloed heeft op zijn bloedsuikerwaarden.
De klacht is bijgevolg ongegrond.
Klager dient klacht in over het feit dat de directie hem geen aangepast dieet aan zijn gezondheidstoestand zou verschaffen.
De klachtencommissie wijst op artikel 42 van de Basiswet, waaruit volgt dat een gedetineerde voldoende voedsel moet krijgen dat voldoet aan de normen van de moderne hygiëne en, indien nodig, aan de vereisten van zijn gezondheidstoestand aangepast is. Het aanbieden van voeding die aangepast is aan de gezondheidstoestand van een gedetineerde maakt deel uit van de zorgplicht van de gevangenisdirecteur.
Artikel 88 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde recht heeft op een gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving. Deze bepaling is nog niet in werking getreden. Immers, overeenkomstig artikel 180 van de Basiswet bepaalt de Koning de datum, waarop die wet of afzonderlijke bepalingen ervan in werking treden. Op artikel 98 na, zijn de bepalingen van hoofdstuk VII ‘Gezondheidszorg’ van titel V ‘Levensvoorwaarden in de gevangenis’, zo ook artikel 88, nog niet in werking getreden. Dit neemt niet weg dat gedetineerden recht hebben op gezondheidszorg. Het is een recht dat nog wordt bevestigd door artikel 96 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen.
Artikel 5 van de Basiswet bepaalt dat ‘de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer (wordt) gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen (…)’. En artikel 2, 11° van de Basiswet duidt de ‘penitentiaire administratie’ aan als het openbaar bestuur dat belast is met de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. Op de penitentiaire administratie rust bijgevolg de verantwoordelijkheid om een rechtsconforme en menswaardige strafuitvoering te waarborgen.
In dergelijke omstandigheden rust op de directeur de verantwoordelijkheid om, rekening houdend met de concrete omstandigheden van het individuele dossier, binnen een redelijke termijn de nodige stappen te ondernemen om te verzekeren dat de gedetineerde voeding ontvangt, die aangepast is aan zijn gezondheidstoestand.
De klachtencommissie is van oordeel dat sprake is van een beklagwaardig verzuim om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen, nu uit de klacht van klager blijkt dat aan zijn verzoek tot op heden geen gevolg is gegeven.
De klacht is ontvankelijk.
Op basis van verkregen informatie van de grootkeuken, stelt de klachtencommissie vast dat aan klager wel degelijk een dieet wordt verstrekt dat is aangepast aan zijn gezondheidstoestand.
Dat de bloedsuikerwaarden van klager onvoldoende onder controle zijn, doet op zich geen afbreuk aan deze vaststelling. Uit de verstrekte informatie blijkt bovendien dat klager regelmatig bijkomende voedingswaren aankoopt via de kantine. De klachtencommissie kan dan ook niet uitsluiten dat deze bijkomende voeding een invloed heeft op zijn bloedsuikerwaarden.
De klacht is bijgevolg ongegrond.