TUCHT - REGIMEMUTATIE
Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee”, “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten in de gevangenis verstoort".
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk en gedetailleerd werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee andere getuigen van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager geeft in zijn klachtenformulieren immers nergens aan waarom hij het niet eens is met deze tuchtbeslissing. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt hij enkel dat hij deze zaken niet gezegd zou hebben. De klachtencommissie is van oordeel dat gelet op het feit dat drie beambten getuige waren van zowel de beledigingen als de bedreigingen met betrekking tot het beschadigen van zijn cel, de directie zich mocht baseren op dit voldoende duidelijk opgestelde RAD. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid deze tuchtinbreuken kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat de directie heeft rekening gehouden met het feit dat klager vijf maanden tuchtvrij was.
De beslissing tot interne mutatie van klager van de open afdeling naar een strikter regime werd bijgevolg uitvoerig gemotiveerd door de directie en is niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk gelet op het feit dat dergelijke gedragingen inderdaad niet verenigbaar zijn met het open regime. De klachtencommissie merkt op dat hoewel deze ordemaatregel voor klager als een tweede straf kan aanvoelen naast de tuchtbeslissing, er geen sprake is van een dubbele bestraffing.
Klager dient een klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee”, “het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden” en “het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten in de gevangenis verstoort".
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk en gedetailleerd werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee andere getuigen van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager geeft in zijn klachtenformulieren immers nergens aan waarom hij het niet eens is met deze tuchtbeslissing. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt hij enkel dat hij deze zaken niet gezegd zou hebben. De klachtencommissie is van oordeel dat gelet op het feit dat drie beambten getuige waren van zowel de beledigingen als de bedreigingen met betrekking tot het beschadigen van zijn cel, de directie zich mocht baseren op dit voldoende duidelijk opgestelde RAD. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid deze tuchtinbreuken kon bewezen verklaren in hoofde van klager. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat de directie heeft rekening gehouden met het feit dat klager vijf maanden tuchtvrij was.
De beslissing tot interne mutatie van klager van de open afdeling naar een strikter regime werd bijgevolg uitvoerig gemotiveerd door de directie en is niet onwettig. De beslissing is daarnaast niet onredelijk of onbillijk gelet op het feit dat dergelijke gedragingen inderdaad niet verenigbaar zijn met het open regime. De klachtencommissie merkt op dat hoewel deze ordemaatregel voor klager als een tweede straf kan aanvoelen naast de tuchtbeslissing, er geen sprake is van een dubbele bestraffing.