TUCHT - ONPARTIJDIGHEID - CAMERABEELDEN
Het louter ontkennen van de feiten is onvoldoende om redelijke twijfel over de geloofwaardigheid van het RAD te doen ontstaan.
De Klachtencommissie ziet geen reden om aan te nemen dat het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting onwaarheden zou bevatten. Het betreft een officieel document waarvan de inhoud bevestigd werd door de gevangenisdirecteur en de opsteller van het verslag.
De tuchthoorzitting werd voorgezeten door een gevangenisdirecteur. De beambte die het RAD opstelde was hierbij niet aanwezig. Mocht de bewering van klager, dat hij de beambte van voor zijn detentie kent, al kloppen, doet dit geen afbreuk aan het gegeven dat de tuchtbeslissing door een onpartijdig en onafhankelijke tuchtoverheid (de directeur) is genomen. Deze onpartijdige instantie heeft haar beslissing niet alleen gesteund op een verklaring van een beambte met wie klager een vermeend verleden zou hebben, maar op de verklaring van in het totaal twee beambten. De tweede beambte ondertekende mee het RAD en daarmee niet alleen de erin vermelde gedragingen van klager maar ook haar eigen handelingen die daarin beschreven worden.
Indien een gedetineerde wenst dat de directeur bijkomende onderzoeksverrichtingen treft vooraleer over te gaan tot een tuchtbeslissing, zoals het bekijken van camerabeelden, dient hij dit op te werpen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, en niet pas nadat de tuchtbeslissing reeds is genomen. Zelfs dan valt het binnen de appreciatiemarge van de directie om te beslissen of de haar voorgelegde feiten bewezen zijn dan wel of bijkomende onderzoeksdaden nodig zijn.
De klacht is ongegrond.
Het louter ontkennen van de feiten is onvoldoende om redelijke twijfel over de geloofwaardigheid van het RAD te doen ontstaan.
De Klachtencommissie ziet geen reden om aan te nemen dat het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting onwaarheden zou bevatten. Het betreft een officieel document waarvan de inhoud bevestigd werd door de gevangenisdirecteur en de opsteller van het verslag.
De tuchthoorzitting werd voorgezeten door een gevangenisdirecteur. De beambte die het RAD opstelde was hierbij niet aanwezig. Mocht de bewering van klager, dat hij de beambte van voor zijn detentie kent, al kloppen, doet dit geen afbreuk aan het gegeven dat de tuchtbeslissing door een onpartijdig en onafhankelijke tuchtoverheid (de directeur) is genomen. Deze onpartijdige instantie heeft haar beslissing niet alleen gesteund op een verklaring van een beambte met wie klager een vermeend verleden zou hebben, maar op de verklaring van in het totaal twee beambten. De tweede beambte ondertekende mee het RAD en daarmee niet alleen de erin vermelde gedragingen van klager maar ook haar eigen handelingen die daarin beschreven worden.
Indien een gedetineerde wenst dat de directeur bijkomende onderzoeksverrichtingen treft vooraleer over te gaan tot een tuchtbeslissing, zoals het bekijken van camerabeelden, dient hij dit op te werpen tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, en niet pas nadat de tuchtbeslissing reeds is genomen. Zelfs dan valt het binnen de appreciatiemarge van de directie om te beslissen of de haar voorgelegde feiten bewezen zijn dan wel of bijkomende onderzoeksdaden nodig zijn.
De klacht is ongegrond.