Ga verder naar de inhoud

KC09/24-0310

Gegrond KC - Gent Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht Fouille op het lichaam
GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - VOORLOPIGE MAATREGEL - FOUILLE OP HET LICHAAM - UITVOERING - MOTIVERING - TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

De klacht betreft de volgende beslissingen van de directie van de gevangenis van Gent:
− De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van 20/09/2024;
− De beslissing tot het opleggen van een fouille aan het lichaam van 20/09/2024 en de uitvoering ervan;
− De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van 21/09/2024;
− De tuchtbeslissing van 23/09/2024.

De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van 20/09/2024:
In voorliggende zaak besloot de directie een voorlopige maatregel op te leggen naar aanleiding van de vaststelling dat klager symptomen van dronkenschap vertoonde na zijn laattijdige terugkomst van zijn uitgaansvergunning en daarbij ook een zakje cannabis op zak had. De klachtencommissie acht het terecht dat de directie in deze situatie een voorlopige maatregel oplegde. De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel is wettig. De klacht gericht tegen de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van 20/09/2024 is ongegrond.

De beslissing tot het opleggen van een fouille aan het lichaam van 20/09/2024 en de uitvoering hiervan:
De klachtencommissie niet afleiden welke individuele aanwijzingen ten aanzien van klager de directie precies weerhouden heeft voor de fouille. Op de zitting bleek dat klager voordien al gedreigd zou hebben dat hij zaken zou binnenbrengen. Dit werd niet in de motivering opgenomen aldus is de beslissing onvoldoende gemotiveerd.
De klacht gericht tegen de fouillebeslissing van 20/09/2024 is gegrond.

De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van 21/09/2024:
In voorliggende zaak besloot de directie een voorlopige maatregel op te leggen naar aanleiding van de vaststelling dat klager symptomen van dronkenschap vertoonde na zijn laattijdige terugkomst van zijn uitgaansvergunning en daarbij ook een verboden substantie op zak had. De klachtencommissie acht het terecht dat de directie in deze situatie een voorlopige maatregel oplegde. De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel is wettig. De klacht gericht tegen de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van 21/09/2024 is ongegrond.

De tuchtbeslissing van 23/09/2024:
Klager kreeg in voorliggende zaak 20 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De Basiswet stelt dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. Het is dus aan de directeur om in eerste instantie na te gaan of een gedetineerde al dan niet een interneringsstatuut heeft. Wanneer de directeur een tuchtprocedure wenst te voeren en op basis van alle info waarover hij beschikt van mening is dat de te vervolgen persoon verantwoordelijk is voor de door hem gepleegde inbreuken, start hij de procedure op en motiveert hij in de tuchtbeslissing waarom hij de persoon verantwoordelijk acht voor zijn daden (bv. uit het rapport aan de directeur blijkt dat de gedetineerde zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten, een vorig verslag van de PSD-psychiater is nog steeds actueel, enz.).

In haar motivering verduidelijkt de directie niet waaruit zij precies de toerekenbaarheid afleidt. Dat klager nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende. De tuchtbeslissing voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.