ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - VERBODEN SUBSTANTIES - MOTIVERING
De klacht gaat over een ordemaatregel van de directie van de gevangenis van Gent van 9 december 2024 waarbij klager werd afgezet van zijn werk.
De directie motiveerde de ordemaatregel als volgt:
“U was tijdens het werk in de keuken niet op de uw toegewezen werkplek en was bezig met het roken van verboden substantie.”
Klager betwist enkel dat hij een verboden substantie aan het roken was. Hij betwist niet dat hij inderdaad niet op de toegewezen werkplek was en geeft zelf toe dat hij aan het roken was (volgens hem een sigaret).
In het huishoudelijk reglement van de gevangenis staat duidelijk dat het verboden is te roken in de gevangenis, met uitzondering van de verblijfsruimte en andere specifiek door de directie aangeduide plaatsen. Ook wanneer klager een gewone sigaret aan het roken was, had de directie voldoende duidelijke redenen om klager af te zetten van zijn werk. De klachtencommissie acht echter niet aangetoond dat klager een verboden substantie aan het roken was. Het RAD waarin dit beschreven zou zijn geweest, wordt door de directie niet voorgelegd. Klager maakt aannemelijk dat hetgeen hij aan het roken was op het moment van “betrapping” ook niet in beslag werd genomen. Er ligt met andere woorden geen enkel onderzoek of bewijs voor dat klager een verboden substantie gebruikte. Gezien de motivering van de ordemaatregel niet volledig correct is, is de klacht gegrond.
De klacht gaat over een ordemaatregel van de directie van de gevangenis van Gent van 9 december 2024 waarbij klager werd afgezet van zijn werk.
De directie motiveerde de ordemaatregel als volgt:
“U was tijdens het werk in de keuken niet op de uw toegewezen werkplek en was bezig met het roken van verboden substantie.”
Klager betwist enkel dat hij een verboden substantie aan het roken was. Hij betwist niet dat hij inderdaad niet op de toegewezen werkplek was en geeft zelf toe dat hij aan het roken was (volgens hem een sigaret).
In het huishoudelijk reglement van de gevangenis staat duidelijk dat het verboden is te roken in de gevangenis, met uitzondering van de verblijfsruimte en andere specifiek door de directie aangeduide plaatsen. Ook wanneer klager een gewone sigaret aan het roken was, had de directie voldoende duidelijke redenen om klager af te zetten van zijn werk. De klachtencommissie acht echter niet aangetoond dat klager een verboden substantie aan het roken was. Het RAD waarin dit beschreven zou zijn geweest, wordt door de directie niet voorgelegd. Klager maakt aannemelijk dat hetgeen hij aan het roken was op het moment van “betrapping” ook niet in beslag werd genomen. Er ligt met andere woorden geen enkel onderzoek of bewijs voor dat klager een verboden substantie gebruikte. Gezien de motivering van de ordemaatregel niet volledig correct is, is de klacht gegrond.