Ga verder naar de inhoud

KC09/24-0473

Gegrond KC - Gent Klachtencommissie Andere beslissing directeur
CELMUTATIE - ZORGPLICHT - ART. 3 EVRM

De klacht gaat over het verzuim van de directie van de gevangenis van Gent om een beslissing te nemen over een door klager gevraagde celmutatie.

De advocaat van klager schrijft dat klager op een duocel verblijft met twee andere celgenoten. Er werd nog geen reactie gegeven vanuit de directie op klager zijn aanhoudende vraag om van cel te veranderen. Klager geeft aan dat de situatie fysiek onhoudbaar is en er een risico bestaat op verbale en fysieke agressie omwille van de beperkte ruimte. Hij verzoekt om klager te plaatsen in een wettelijke toestand (geen overschrijding van de voorziene bezetting van de gevangeniscel).

Wanneer de klachten over (over)plaatsing in een bepaalde cel te maken hebben met de overbevolkingsproblematiek, is de klachtencommissie van oordeel dat de zorgplicht van de directie van toepassing is. De directie dient namelijk te verzekeren dat de vrijheidsbenemende maatregel of de vrijheidsstraf in menswaardige en veilige omstandigheden ten uitvoer wordt gelegd.
Daarnaast verbiedt artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verduidelijkte dat er een sterk vermoeden is dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling, wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3 m² in een meerpersoonscel. Naar analogie met het Europees Comité ter Preventie van Foltering, stelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat sanitaire voorzieningen niet mogen meegerekend worden in de betekening van de totale oppervlakte van de cel. Dit laatste werd ook in rechtspraak van de beroepscommissie bevestigd.

De klachtencommissie stelt vast dat er in dit geval wel degelijk een sterk vermoeden is dat klager zijn opsluiting in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling. Een duocel heeft in de gevangenis van Gent namelijk een totale oppervlakte van 9 m². Wanneer de ruimte voor sanitaire voorzieningen hiervan wordt afgetrokken en er met 3 personen op de cel verbleven wordt, beschikt elk van de op de cel aanwezige gedetineerden aldus over minder dan 3 m² per persoon.
Wanneer een gedetineerde minder dan 3 m² persoonlijke ruimte heeft, impliceert dit nog niet dat er effectief een schending is van art. 3 EVRM. Het sterk vermoeden van een schending van art. 3 EVRM kan volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens weerlegd worden indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan :
- De inperkingen van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3 m² zijn kort, incidenteel en gering;
- De inperkingen gaan gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel;
- De gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden detentie-inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn of haar detentie.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie dit vermoeden niet weerlegt.

De klachtencommissie houdt rekening met de werkelijke duur dat klager in de overbevolkte cel in kwestie heeft doorgebracht, namelijk twee maanden. Er is dus geen sprake van een geringe of incidentele periode.

Klager meldt bijkomend dat hij tijdens deze periode geen werk had. Behoudens de dagelijkse wandeling, had hij m.a.w. weinig mogelijkheden om tijd buiten de verblijfsruimte door te brengen.

Ten slotte spreekt klager over de impact van de bijzondere leefomstandigheden in een cel met twee mede-geïnterneerden op zijn mentale gezondheid.

Gelet op de duur van de precaire situatie en de concrete leefomstandigheden in de cel, beoordeelt de klachtencommissie de beslissing van de directie om niet in te gaan op klager zijn verzoeken tot celmutatie als onwettig. De situatie waarin klager verbleef was niet alleen in strijd met artikel 3 EVRM, maar strookt evenmin met de zorgplicht die de directie heeft ten aanzien van haar gedetineerden.

De klacht is aldus gegrond.