Ga verder naar de inhoud

KC09/25-0008

Gegrond KC - Gent Klachtencommissie Andere beslissing directeur
OVERBEVOLKING - ZORGPLICHT - ART. 3 EVRM

De klacht betreft de beslissing van 16 december 2024 van de directie van de gevangenis van Gent om een derde persoon op klager zijn cel te steken.

Klager signaleert een klacht over een beslissing om een derde persoon op zijn cel te steken. Klager geeft aan dat de cel (die volgens hem feitelijk als monocel bedoeld zou zijn) hier helemaal niet op voorzien is, maar dat hij dit niet kan weigeren zonder dat hij een tuchtsanctie zou krijgen. Hij meent dat deze situatie en het feit dat iemand op de grond moet slapen niet wettelijk is.
Wanneer de klachten over (over)plaatsing in een bepaalde cel te maken hebben met de overbevolkingsproblematiek, is de klachtencommissie van oordeel dat de zorgplicht van de directie van toepassing is. De directie dient namelijk te verzekeren dat de vrijheidsbenemende maatregel of de vrijheidsstraf in menswaardige en veilige omstandigheden ten uitvoer wordt gelegd.

Daarnaast verbiedt artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verduidelijkte dat er een sterk vermoeden is dat de opsluiting strijdig is met het verbod op onmenselijke behandeling, wanneer een gedetineerde beschikt over minder dan 3 m² in een meerpersoonscel. Naar analogie met het Europees Comité ter Preventie van Foltering, stelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat sanitaire voorzieningen niet mogen meegerekend worden in de betekening van de totale oppervlakte van de cel. Dit laatste werd ook in rechtspraak van de beroepscommissie bevestigd.

De klachtencommissie stelt vast dat er in dit geval wel degelijk een sterk vermoeden is dat klager zijn opsluiting in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling. Een duocel heeft in de gevangenis van Gent namelijk een totale oppervlakte van 9 m².

Wanneer de ruimte voor sanitaire voorzieningen hiervan wordt afgetrokken en er met 3 personen op de cel verbleven wordt, beschikt elk van de op de cel aanwezige gedetineerden aldus over minder dan 3 m² per persoon.

Wanneer een gedetineerde minder dan 3 m² persoonlijke ruimte heeft, impliceert dit nog niet dat er effectief een schending is van art. 3 EVRM.
Het sterk vermoeden kan volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens weerlegd worden indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan :
- De inperkingen van de vereiste minimale persoonlijke ruimte van 3 m² zijn kort, incidenteel en gering;
- De inperkingen gaan gepaard met voldoende bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel;
- De gedetineerde is opgesloten in een in het algemeen geschikt bevonden detentie-inrichting en er zijn geen andere verzwarende omstandigheden aan zijn of haar detentie.

Aangezien het hierboven uiteengezette vermoeden met geen enkel argument door de directie weerlegd wordt, kan de klachtencommissie er van uit gaan dat klager zich op het moment van de indiening van de klacht in een onmenselijke en onwettige situatie bevond.

De situatie waarin klager verbleef was niet alleen in strijd met artikel 3 EVRM, maar strookt evenmin met de zorgplicht die de directie heeft ten aanzien van haar gedetineerden.

De beslissing waarbij een derde persoon in de cel van klager werd geplaatst, is aldus onwettig.

De klachtencommissie acht de klacht gegrond.