KLACHTENPROCEDURE - SCHORSING - UITVOERING - TEGEMOETKOMING
De klacht betreft de niet-uitvoering van de schorsingsbeslissing van de klachtencommissie van Gent door de gevangenisdirectie van Gent.
Gelet dat de tuchtsanctie nog in uitvoering was, en gelet dat de directie de klachtencommissie geen schriftelijke informatie of opmerkingen bezorgde die het mogelijk maakten de gegrondheid van de klacht te beoordelen, besliste de voorzitter van de klachtencommissie op 9 januari 2025 om de tenuitvoerlegging van de tuchtbeslissing van 28 december 2024 met onmiddellijke ingang te schorsen in afwachting van de verdere uitspraak over de klacht. Uit voorliggende klacht, ingediend door de advocaat van klager, blijkt dat de directie de schorsingsbeslissing van 9 januari 2025 niet onmiddellijk heeft uitgevoerd. Dit maakt een schending uit van artikel 158, §5 van de basiswet dat bepaalt dat beslissingen van de klachtencommissie onmiddellijk uitvoerbaar zijn.
Op 17 januari 2025 ontving de klachtencommissie de volgende reactie van de directie: “ondertussen werd dit in orde gebracht.” De klachtencommissie gaat ervan uit dat “dit” wijst op de uitvoering van haar eerdere schorsingsbeslissing van 9 januari 2025. Zij kan echter niet nagaan wanneer de schorsingsbeslissing exact werd uitgevoerd. De directie spreekt enkel van “ondertussen”, zonder te verwijzen naar een exacte datum. De klachtencommissie gaat er daarom vanuit dat de schorsingsbeslissing werd uitgevoerd op de dag dat de directie dit te kennen gaf aan de klachtencommissie, i.e. 17 januari 2025, in strijd met wat werd opgelegd op 9 januari 2025. De klacht is aldus gegrond. De klachtencommissie meent dat een tegemoetkoming van 16 extra wandelingen redelijk is en kent dit toe.
De klacht betreft de niet-uitvoering van de schorsingsbeslissing van de klachtencommissie van Gent door de gevangenisdirectie van Gent.
Gelet dat de tuchtsanctie nog in uitvoering was, en gelet dat de directie de klachtencommissie geen schriftelijke informatie of opmerkingen bezorgde die het mogelijk maakten de gegrondheid van de klacht te beoordelen, besliste de voorzitter van de klachtencommissie op 9 januari 2025 om de tenuitvoerlegging van de tuchtbeslissing van 28 december 2024 met onmiddellijke ingang te schorsen in afwachting van de verdere uitspraak over de klacht. Uit voorliggende klacht, ingediend door de advocaat van klager, blijkt dat de directie de schorsingsbeslissing van 9 januari 2025 niet onmiddellijk heeft uitgevoerd. Dit maakt een schending uit van artikel 158, §5 van de basiswet dat bepaalt dat beslissingen van de klachtencommissie onmiddellijk uitvoerbaar zijn.
Op 17 januari 2025 ontving de klachtencommissie de volgende reactie van de directie: “ondertussen werd dit in orde gebracht.” De klachtencommissie gaat ervan uit dat “dit” wijst op de uitvoering van haar eerdere schorsingsbeslissing van 9 januari 2025. Zij kan echter niet nagaan wanneer de schorsingsbeslissing exact werd uitgevoerd. De directie spreekt enkel van “ondertussen”, zonder te verwijzen naar een exacte datum. De klachtencommissie gaat er daarom vanuit dat de schorsingsbeslissing werd uitgevoerd op de dag dat de directie dit te kennen gaf aan de klachtencommissie, i.e. 17 januari 2025, in strijd met wat werd opgelegd op 9 januari 2025. De klacht is aldus gegrond. De klachtencommissie meent dat een tegemoetkoming van 16 extra wandelingen redelijk is en kent dit toe.