KC09/25-0111
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Gent
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BVM
Het is niet duidelijk tegen welke beslissing van de directie de klacht van klager gericht is en of ze überhaupt betrekking heeft op een beslissing die door of namens de directie ten aanzien van hem genomen werd. Klager toont ook niet aan dat de directie zou nagelaten hebben een beslissing te nemen.
Daarnaast behoort een klacht die handelt over het gedrag van penitentiair beambten niet tot het toepassingsgebied van het klachtenrecht.
De klacht over het opdringen van medicatie is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Aan de lokale gevangenisdirecties wordt door het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen een model “beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel” ter beschikking gesteld, waarop de directie bepaalde zaken kan aanvinken en bepaalde veldjes moet invullen.
Eén van de voorgedrukte zaken die moeten worden ingevuld zijn de “elementen die kenmerkend zijn aan de gedetineerde, die hem werden uiteengezet op het ogenblik dat hij door de directeur werd gehoord” die een ernstige aanwijzing vormen van een gevaar voor de orde of de veiligheid.
In de beslissing wordt dit luik niet ingevuld. De directie heeft de motivering voor de beslissing ook niet in een ander luik van de schriftelijke beslissing uiteengezet. De directie diende geen verweer in waardoor ook uit het klachtendossier niet blijkt waarom een BVM werd bevolen.
De motiveringsplicht is in beide beslissingen geschonden. Het is noch voor de klachtencommissie, noch voor klager duidelijk waarom een BVM werd opgelegd.
De klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel is gegrond.
Het is niet duidelijk tegen welke beslissing van de directie de klacht van klager gericht is en of ze überhaupt betrekking heeft op een beslissing die door of namens de directie ten aanzien van hem genomen werd. Klager toont ook niet aan dat de directie zou nagelaten hebben een beslissing te nemen.
Daarnaast behoort een klacht die handelt over het gedrag van penitentiair beambten niet tot het toepassingsgebied van het klachtenrecht.
De klacht over het opdringen van medicatie is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Aan de lokale gevangenisdirecties wordt door het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen een model “beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel” ter beschikking gesteld, waarop de directie bepaalde zaken kan aanvinken en bepaalde veldjes moet invullen.
Eén van de voorgedrukte zaken die moeten worden ingevuld zijn de “elementen die kenmerkend zijn aan de gedetineerde, die hem werden uiteengezet op het ogenblik dat hij door de directeur werd gehoord” die een ernstige aanwijzing vormen van een gevaar voor de orde of de veiligheid.
In de beslissing wordt dit luik niet ingevuld. De directie heeft de motivering voor de beslissing ook niet in een ander luik van de schriftelijke beslissing uiteengezet. De directie diende geen verweer in waardoor ook uit het klachtendossier niet blijkt waarom een BVM werd bevolen.
De motiveringsplicht is in beide beslissingen geschonden. Het is noch voor de klachtencommissie, noch voor klager duidelijk waarom een BVM werd opgelegd.
De klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel is gegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/25-0321 opgestart