KC09/26-0049
Gegrond
KC - Gent
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING - RECHTEN VAN VERDEDIGING - RECHT OP TEGENSPRAAK - GEÏNTERNEERDE - VERBODEN SUBSTANTIES - SCHORSING
De klacht tegen de voorlopige maatregel is gegrond omdat deze om de volgende reden niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet:
1) De maatregel van uitsluiting van deelname aan activiteiten kon niet worden opgelegd, gelet de directie niet besloot, noch motiveerde dat er een gevaar voor de orde of de veiligheid was.
2) In de beslissing wordt niet gemotiveerd waarom de vondst van een verboden substantie (na inbeslagname nog) een risico voor de interne veiligheid vormde.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is gegrond om de volgende redenen:
1) Ze berust op een beperkte en onrechtstreekse weergave van de feiten, zonder dat voldoende onderzoek werd verricht naar de betwisting van klager.
2) Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting werden bijkomende elementen aangehaald die niet voorafgaand aan tegenspraak werden onderworpen.
3) De motivering is niet volledig coherent.
4) Uit de motivering blijkt niet dat de directie heeft onderzocht of de feiten aan klager konden worden toegerekend, rekening houdend met zijn interneringsstatuut. Evenmin wordt gemotiveerd waarom de directie van oordeel was dat klager verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn handelen.
De klacht tegen de voorlopige maatregel is gegrond omdat deze om de volgende reden niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet:
1) De maatregel van uitsluiting van deelname aan activiteiten kon niet worden opgelegd, gelet de directie niet besloot, noch motiveerde dat er een gevaar voor de orde of de veiligheid was.
2) In de beslissing wordt niet gemotiveerd waarom de vondst van een verboden substantie (na inbeslagname nog) een risico voor de interne veiligheid vormde.
De klacht tegen de tuchtbeslissing is gegrond om de volgende redenen:
1) Ze berust op een beperkte en onrechtstreekse weergave van de feiten, zonder dat voldoende onderzoek werd verricht naar de betwisting van klager.
2) Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting werden bijkomende elementen aangehaald die niet voorafgaand aan tegenspraak werden onderworpen.
3) De motivering is niet volledig coherent.
4) Uit de motivering blijkt niet dat de directie heeft onderzocht of de feiten aan klager konden worden toegerekend, rekening houdend met zijn interneringsstatuut. Evenmin wordt gemotiveerd waarom de directie van oordeel was dat klager verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn handelen.