TUCHT - ZORGVULDIGHEIDSPLICHT - SCHORSING
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Gent waarbij klager wordt gesanctioneerd met 30 dagen ATV.
Het RAD beschrijft hoe een beambte tijdens zijn avondronde in de bijentuin een doorgeeflint uit het raam van cel 207 zag hangen. Wanneer klager of zijn celgenoot de beambte opmerkt, smijten ze het doorgeeflint snel naar buiten en sluiten ze het raam. De beambte schrijft nog dat aan het doorgeeflint een verdachte bruine substantie hangt, in plastic gedraaid.
Klager ontkent enige betrokkenheid bij de feiten. Volgens klager heeft de beambte dat niet gezien. Klager was aan het praten met medegedetineerden in andere cellen en een beambte van het centrum. De advocaat wijst op het gegeven dat de beambte eerst is langsgekomen en met klager aan het raam heeft gesproken. Een medegedetineerde van cel 106 zou gezegd hebben dat er daar nog iets lag. De vaststelling is pas dan gebeurd. Volgens de advocaat is er niet vastgesteld dat klager met een jojo bezig was. Er is geen celcontrole geweest achteraf en de lakens zijn intact. Klager is goed bezig, is aan het werk en heeft bezoek. De advocaat vraag ten slotte om de medegedetineerde te horen en mild te zijn.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie klager schuldig acht aan de tuchtinbreuk op basis van het RAD waaruit blijkt dat een beambte klager of zijn celgenoot een doorgeeflint zou hebben zien gebruiken. De directie verwijst in haar tuchtbeslissing naar dit RAD en schrijft dat klager en zijn celgenoot werden betrapt bij het gebruik van een doorgeeflint. De klachtencommissie meent dat de directie niet zonder meer kon voortgaan op de inhoud van het RAD, gelet op de onduidelijkheid ervan.
Klager haalt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verschillende elementen aan die verder doen twijfelen aan de vaststellingen. Klager schetst zeer concreet de context waarin de feiten zouden hebben plaatsgevonden. Hij verwijst naar een gesprek met een medegedetineerde die als getuige kan worden gehoord en naar een gesprek met een beambte dat heeft plaatsgevonden rond het moment van de feiten. Klager wijst ook naar het gegeven dat de vaststelling met betrekking tot de verboden substantie eigenlijk pas later gebeurd is – na een aanwijzing van een medegedetineerde – en naar het feit dat zijn lakens nog intact zijn. De directie gaat niet verder in op deze elementen en verklaart klager zonder meer schuldig aan ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ .
Klager stelde tijdens de zitting van de klachtencommissie aanvullend dat zijn raamafsluiting nog steeds intact was en er onmogelijk een doorgeeflint door kon worden gehangen, waarop een beambte de opdracht kreeg om ter plaatse de toestand van klagers raam te onderzoeken. Uit deze vaststellingen blijkt dat klagers raam en de tralies inderdaad onaangeraakt zijn en er onmogelijk een doorgeeflint tussen kon bewegen. Deze vaststelling bevestigt dus het feitenrelaas van klager.
Zoals reeds aangehaald, kan de directie er redelijkerwijze van uitgaan dat een RAD een correcte weergave is van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die twijfels zouden doen rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RAD. De klachtencommissie meent dat het RAD onvoldoende duidelijk was en klager tijdens de tuchtprocedure bovendien overtuigende elementen heeft aangevoerd die deden twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Het kwam aan de directie toe om deze tegenindicaties te onderzoeken en te beoordelen.
Volgens de klachtencommissie deed de directie in voorliggend dossier aan onzorgvuldige feitenvinding. Doordat de aangebrachte tegenindicaties onvoldoende onderzocht werden, is de directie bij het nemen van haar tuchtbeslissing niet uitgegaan van de juiste feitelijk gegevens.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en draagt de directie op om deze volledig te verwijderen uit het tuchtregister van klager. Aangezien klager (vóór de schorsing) onterecht een sanctie van 8 dagen ATV heeft ondergaan, besluit de klachtencommissie aan klager een tegemoetkoming toe te kennen in de vorm van 80 minuten belkrediet.
De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Gent waarbij klager wordt gesanctioneerd met 30 dagen ATV.
Het RAD beschrijft hoe een beambte tijdens zijn avondronde in de bijentuin een doorgeeflint uit het raam van cel 207 zag hangen. Wanneer klager of zijn celgenoot de beambte opmerkt, smijten ze het doorgeeflint snel naar buiten en sluiten ze het raam. De beambte schrijft nog dat aan het doorgeeflint een verdachte bruine substantie hangt, in plastic gedraaid.
Klager ontkent enige betrokkenheid bij de feiten. Volgens klager heeft de beambte dat niet gezien. Klager was aan het praten met medegedetineerden in andere cellen en een beambte van het centrum. De advocaat wijst op het gegeven dat de beambte eerst is langsgekomen en met klager aan het raam heeft gesproken. Een medegedetineerde van cel 106 zou gezegd hebben dat er daar nog iets lag. De vaststelling is pas dan gebeurd. Volgens de advocaat is er niet vastgesteld dat klager met een jojo bezig was. Er is geen celcontrole geweest achteraf en de lakens zijn intact. Klager is goed bezig, is aan het werk en heeft bezoek. De advocaat vraag ten slotte om de medegedetineerde te horen en mild te zijn.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie klager schuldig acht aan de tuchtinbreuk op basis van het RAD waaruit blijkt dat een beambte klager of zijn celgenoot een doorgeeflint zou hebben zien gebruiken. De directie verwijst in haar tuchtbeslissing naar dit RAD en schrijft dat klager en zijn celgenoot werden betrapt bij het gebruik van een doorgeeflint. De klachtencommissie meent dat de directie niet zonder meer kon voortgaan op de inhoud van het RAD, gelet op de onduidelijkheid ervan.
Klager haalt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verschillende elementen aan die verder doen twijfelen aan de vaststellingen. Klager schetst zeer concreet de context waarin de feiten zouden hebben plaatsgevonden. Hij verwijst naar een gesprek met een medegedetineerde die als getuige kan worden gehoord en naar een gesprek met een beambte dat heeft plaatsgevonden rond het moment van de feiten. Klager wijst ook naar het gegeven dat de vaststelling met betrekking tot de verboden substantie eigenlijk pas later gebeurd is – na een aanwijzing van een medegedetineerde – en naar het feit dat zijn lakens nog intact zijn. De directie gaat niet verder in op deze elementen en verklaart klager zonder meer schuldig aan ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ .
Klager stelde tijdens de zitting van de klachtencommissie aanvullend dat zijn raamafsluiting nog steeds intact was en er onmogelijk een doorgeeflint door kon worden gehangen, waarop een beambte de opdracht kreeg om ter plaatse de toestand van klagers raam te onderzoeken. Uit deze vaststellingen blijkt dat klagers raam en de tralies inderdaad onaangeraakt zijn en er onmogelijk een doorgeeflint tussen kon bewegen. Deze vaststelling bevestigt dus het feitenrelaas van klager.
Zoals reeds aangehaald, kan de directie er redelijkerwijze van uitgaan dat een RAD een correcte weergave is van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die twijfels zouden doen rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RAD. De klachtencommissie meent dat het RAD onvoldoende duidelijk was en klager tijdens de tuchtprocedure bovendien overtuigende elementen heeft aangevoerd die deden twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Het kwam aan de directie toe om deze tegenindicaties te onderzoeken en te beoordelen.
Volgens de klachtencommissie deed de directie in voorliggend dossier aan onzorgvuldige feitenvinding. Doordat de aangebrachte tegenindicaties onvoldoende onderzocht werden, is de directie bij het nemen van haar tuchtbeslissing niet uitgegaan van de juiste feitelijk gegevens.
Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en draagt de directie op om deze volledig te verwijderen uit het tuchtregister van klager. Aangezien klager (vóór de schorsing) onterecht een sanctie van 8 dagen ATV heeft ondergaan, besluit de klachtencommissie aan klager een tegemoetkoming toe te kennen in de vorm van 80 minuten belkrediet.