Ga verder naar de inhoud

KC09/26-0311

Ongegrond KC - Gent Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - VERBODEN SUBSTANTIES - MOTIVERING

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Deze tuchtsanctie werd opgelegd nadat na een incident op cel tussen klager en zijn celgenoot, de beambte bij klager verhaal ging halen. In de cel van klager trof hij op de grond een zakje verboden substantie aan. Klager bevestigde dat dit van hem was.

De Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden bepaalt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) alleen schuldig kan worden verklaard aan een hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al bewijsmateriaal waarover hij beschikt, 1) de ten laste gelegde feiten bewezen acht en 2) de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) daaraan schuldig acht. Ook de advocaat verklaart dat klager het op zich neemt.

Gelet op het duidelijke RAD en de verklaringen van klager en zijn advocaat dat de verboden substantie hem toebehoort, is de tuchtinbreuk ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ bewezen.

De vraag of een tuchtrechtelijke inbreuk ook aan de gedetineerde kan worden toegerekend vraagt bijzondere aandacht indien de pleger van de inbreuk een geïnterneerde is. De directeur moet in de motivering van de tuchtbeslissing de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden.

De directie verklaart dat op het moment van de feiten klager helder is en hij kan aangeven welke dag het is. Klager bekende ook dat de drugs van hem waren. De directie wijst op de uitspraak die klager deed dat de klachtencommissie hem zou vrijspreken wegens zijn statuut als geïnterneerde, wat volgens de klachtencommissie bevestigt dat klager voldoende inzicht had in de draagwijdte van zijn handelen. Zo kan besloten worden dat de feiten hem kunnen worden toegerekend.

Dat klager voor het aantreffen van de verboden substantie in een conflictsituatie met zijn celgenoot verzeild was geraakt en daardoor mogelijk stress ervoer, doet hier volgens de klachtencommissie niets aan af.

De directie motiveert waarom zij klager verantwoordelijk acht voor zijn daden en weerlegt hiermee het vermoeden van ontoerekeningsvatbaarheid.

Bijgevolg is de tuchtbeslissing ongegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/26-0311 opgestart