Ga verder naar de inhoud

KC10/21-0035

Gegrond KC - Hasselt Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - MOTIVERING

De bestreden tuchtbeslissing is voor wat betreft de motivering inzake het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte (inbreuk artikel 130, 6° van de Basiswet) niet in overeenstemming met artikel 144 §6 van de Basiswet genomen, nu dit artikel vereist dat de directeur de ten laste gelegde feiten bewezen acht én de gedetineerde hieraan schuldig acht. De motivering toont aan dat hieromtrent in hoofde van de directie nog twijfel bestaat. Twijfel dient in het voordeel van klager te spelen.
In de tuchtbeslissing herhaalt de directie niet expliciet de materiële vaststellingen uit het RAD die mogelijks de inbreuk van het geen gevolg geven aan de aanmaningen en bevelen van het personeel (artikel 130, 3° van de Basiswet) kunnen uitmaken. Wel verwijst de directie in vage bewoordingen naar “het gedrag en de luidruchtigheid” van klager, hetgeen mogelijks terugslaat op de weerhouden (aangekruiste) inbreuk, maar anderzijds ook betrekking zou kunnen hebben op de (niet aangekruiste) inbreuken van de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° van de Basiswet) of het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten in de gevangenis verstoort (artikel 130, 7° van de Basiswet). De Klachtencommissie herhaalt dat het niet de bedoeling is dat de motivering van een tuchtbeslissing slechts begrepen kan worden indien ze ‘samengelezen’ wordt met het RAD dat eraan ten grondslag ligt en dat de gedetineerde (of in dit geval de Klachtencommissie) zelf moet ontdekken of interpreteren op welke feiten de weerhouden inbreuk precies terugslaat. De motivering is dan ook gebrekkig. Er wordt op geen enkele wijze een duidelijke link gelegd tussen bepaalde feiten en een corresponderende inbreuk. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd.