Ga verder naar de inhoud

KC10/22-0003

Gegrond Onontvankelijk KC - Hasselt Klachtencommissie Bijzondere veiligheidsmaatregel Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - VRIJE TIJD - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL

Met betrekking tot het aspect van de klacht waarin klager stelt dat hij nog steeds verblijft op een ‘beveiligde cel’ stelt de Klachtencommissie het volgende vast. Klager verblijft na de beslissingen van de KC en de BC nog steeds op dezelfde sectie. Klager geniet op die sectie opnieuw van het gewone regime. Zijn cel verschilt niet van andere cellen qua materiële uitrusting, behoudens eventuele materiële gebreken of beschadigingen die geen geïndividualiseerde beslissing ten aanzien van hem uitmaken. Het enige verschil met (sommige) andere secties is dat men op de sectie waar klager verblijft enkel plastic bestek krijgt. Klager lijkt hierdoor in de veronderstelling te verkeren dat de bijzondere veiligheidsmaatregel van “het verplicht verblijf in de hem toegewezen monocel waarbij hij geen voorwerpen mag hebben waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn” nog steeds op hem van toepassing is. Het plastic bestek betreft volgens de Klachtencommissie echter geen geïndividualiseerde beslissing ten aanzien van klager, doch een materiële omstandigheid die voor iedereen op die sectie geldt. Er is dan ook geen sprake van een geïndividualiseerde beslissing ten aanzien van klager op dat punt of een verzuim of weigering om de beslissing van de Klachtencommissie of de Beroepscommissie op dat punt na te leven. De klacht is voor dat aspect onontvankelijk.
Met betrekking tot het aspect van de klacht waarin klager stelt dat hij per dag slechts één keer in plaats van twee keer mocht wandelen, stelt de Klachtencommissie vast dat het wel degelijk om een geïndividualiseerde beslissing ten aanzien van klager gaat. De klacht is voor dat aspect ontvankelijk. Op het ogenblik van de indiening van de klacht mocht klager per dag maar één keer in plaats van twee keer gaan wandelen. Hoewel hiermee nog steeds voldaan werd aan de minimumvereiste van één wandeling per dag zoals voorzien in artikel 79 de Basiswet, werd klager op dit punt wel ongelijk behandeld ten aanzien van andere gedetineerden die zich in dezelfde omstandigheden bevonden. In die zin kon klager de ontzegging van één wandeling per dag volgens de Klachtencommissie terecht percipiëren als een inperking van zijn rechten. De Klachtencommissie begrijpt dat de directie klager in het kader van de orde en veiligheid niet zomaar samen met zijn voormalige celgenoot kon laten wandelen. De Klachtencommissie begrijpt dat er praktische omstandigheden waren die het gescheiden laten wandelen met behoud van twee wandelingen per dag praktisch bemoeilijkten. Toch stellen deze elementen de directie niet vrij van de verplichting om dergelijke inperking op te leggen in het hiertoe door de wet voorziene kader van bijzondere veiligheidsmaatregelen (artikel 110 e.v. van de Basiswet). De Basiswet afhankelijk van de specifieke situatie op een andere wijze interpreteren zou het nut van de bepalingen omtrent de bijzondere veiligheidsmaatregelen, die voorzien in een aantal waarborgen in hoofde van de gedetineerde, zoals het recht om gehoord te worden en een beperking van de maatregelen in de tijd, totaal ondergraven. De klacht is gegrond.