KC10/22-0021
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Hasselt
Klachtencommissie
Tucht
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - SCHADE - TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN
De te volgen procedure in geval van beschadigde voorwerpen is die van Collectieve Brief nr. 133. Een beslissing inzake schadevergoeding komt ten gevolge van de daarin geregelde procedure niet aan de directeur toe, zodat er ook geen sprake kan zijn van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet. De klacht inzake de beschadiging van de voorwerpen is onontvankelijk.
De directie kon redelijkerwijs steunen op de materiële vaststellingen zoals omschreven in de twee RAD’s van 31 maart 2022. Het bezit van de USB-stick werd bovendien door klager erkend ter tuchtzitting. De Klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de materiële vaststellingen uit deze RAD’s kwalificeerde als zijnde de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° van de Basiswet) en het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° van de Basiswet), en deze inbreuken aan klager toerekende. De motivering van de tuchtbeslissing maakt voldoende duidelijk voor welke feiten klager gesanctioneerd werd. De Klachtencommissie wijst er ook op dat het aspect van de aangetroffen sigaret, hetgeen door klager werd aangehaald als reden voor zijn klacht, helemaal niet heeft meegespeeld in de uiteindelijke tuchtbeslissing. Klager werd immers niet gesanctioneerd voor het bezit van verboden substanties. De Klachtencommissie vindt de opgelegde sanctie van 10 dagen ATV voor deze twee inbreuken redelijk. De klacht is ongegrond.
De te volgen procedure in geval van beschadigde voorwerpen is die van Collectieve Brief nr. 133. Een beslissing inzake schadevergoeding komt ten gevolge van de daarin geregelde procedure niet aan de directeur toe, zodat er ook geen sprake kan zijn van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet. De klacht inzake de beschadiging van de voorwerpen is onontvankelijk.
De directie kon redelijkerwijs steunen op de materiële vaststellingen zoals omschreven in de twee RAD’s van 31 maart 2022. Het bezit van de USB-stick werd bovendien door klager erkend ter tuchtzitting. De Klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de materiële vaststellingen uit deze RAD’s kwalificeerde als zijnde de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° van de Basiswet) en het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° van de Basiswet), en deze inbreuken aan klager toerekende. De motivering van de tuchtbeslissing maakt voldoende duidelijk voor welke feiten klager gesanctioneerd werd. De Klachtencommissie wijst er ook op dat het aspect van de aangetroffen sigaret, hetgeen door klager werd aangehaald als reden voor zijn klacht, helemaal niet heeft meegespeeld in de uiteindelijke tuchtbeslissing. Klager werd immers niet gesanctioneerd voor het bezit van verboden substanties. De Klachtencommissie vindt de opgelegde sanctie van 10 dagen ATV voor deze twee inbreuken redelijk. De klacht is ongegrond.