Ga verder naar de inhoud

KC10/23-0073

Ongegrond KC - Hasselt Klachtencommissie Tucht
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - RECHT VAN VERDEDIGING - SANCTIE

Klager en zijn raadsman voeren in de eerste plaats aan dat op het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vermeld staat dat het inrichtingshoofd deze zitting heeft voorgezeten terwijl dit in werkelijkheid een andere directeur was. De Basiswet stelt dat de bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties berust bij de directeur. De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier en heeft vastgesteld dat gedurende de volledige tuchtprocedure één en dezelfde directeur betrokken was en dat zij telkens haar naam en handtekening duidelijk onder alle documenten heeft geschreven.

Klager en zijn raadsman zijn vervolgens van mening dat in de motivering van de tuchtbeslissing niet vermeld staat of het rapport een rapport aan de directeur (RAD) of een observatienota was. Er staat immers “ter observatie aan de directeur”. De Basiswet stelt dat wanneer een personeelslid een feit vaststelt waarvan hij/zij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt of wanneer een dergelijke inbreuk hem/haar ter kennis wordt gebracht, stelt hij/zij een rapport op voor de directeur. In dit dossier heeft het personeelslid zijn vaststellingen genoteerd in een verslag met als benaming “ter observatie aan directeur”. De klachtencommissie is van oordeel dat zowel een observatienota als een rapport aan de directeur (RAD) als een verslag “ter observatie aan directeur” de bedoeling hebben om de directeur te informeren. Het is vervolgens aan de directie om te oordelen of het volgens haar noodzakelijk is om naar aanleiding van de gemelde informatie al dan niet een tuchtprocedure op te starten. Anders beslissen zou impliceren dat een belangrijk deel van de beslissingsbevoegdheid zou worden verlegd van de directeur naar de penitentiaire beambten, op basis van het formulier dat zij menen te moeten gebruiken.

Klager en zijn raadsman klagen aan dat aan klager, niettemin het vermoeden van onschuld, de kans niet werd gelaten om te bewijzen dat hij geen drugs gebruikt. Hierdoor zou zijn recht van verdediging, dat deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, zijn geschonden. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft klager verklaard dat hij zelf geen drugs gebruikt en dat iemand dat bolletje hasj in zijn broekzak moet hebben gestoken toen hij op een bankje zat tijdens de wandeling. Om dit te bewijzen stelde klager voor een drugstest af te leggen. Dit zou zijn geweigerd. De directie beoordeelt vrij of bijkomend onderzoek nuttig of nodig is. Wanneer zij meent dat de weergave van de feiten in het rapport aan de directeur voldoende duidelijk is om de feiten als bewezen te verklaren, zal zij dit niet nodig achten en is het dan ook niet verplicht om bijkomende onderzoeksdaden te verrichten. De klachtencommissie merkt bovendien op dat klager in de tuchtbeslissing werd gesanctioneerd voor de vondst van hasj, hetgeen een tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie uitmaakt, namelijk het bezit van (of de handel in) door of krachtens de wet verboden substanties. Het bezit van drugs op zich maakt een tuchtinbreuk uit ongeacht of klager drugs gebruikt. Bijgevolg was een drugstest niet nuttig.

Tot slot menen klager en zijn raadsman dat de directeur, door een effectieve sanctie uit te spreken, een disproportionele sanctie heeft opgelegd ondanks dat klager gedurende zijn lange detentie geen disciplinaire problemen heeft. De Basiswet bepaalt dat de directeur de keuze heeft over de aard en de omvang van de tuchtsanctie. De directeur dient enerzijds rekening te houden met de wettelijk bepaalde maximumsancties en anderzijds met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de sanctie. Voor een tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV worden opgelegd. Klager heeft zeven dagen ATV opgelegd gekregen. De tuchtsanctie is bijgevolg wettig. De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat de tuchtsanctie bijzonder mild is voor het bezit van wettelijk verboden middelen waardoor de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk is.

De klachtencommissie is van oordeel dat de tuchtprocedure rechtmatig is verlopen en dat de tuchtbeslissing niet onwettig, noch onredelijk of onbillijk is. De klacht is ongegrond.