Ga verder naar de inhoud

KC10/23-0176

Ongegrond KC - Hasselt Klachtencommissie Tucht
TUCHT - RECHT VAN VERDEDIGING - BEWIJS

De klachtencommissie heeft kennis genomen van het tuchtdossier dat bestaat uit één rapport aan de directeur (RAD). Het RAD werd opgesteld door de kwartierchef naar aanleiding van uitspraken die klager zou gedaan hebben tijdens een gesprek met een directielid waarbij opsteller ook aanwezig was. Klager zou tegen opsteller hebben gezegd: “u ga ik opruimen en dan eens laten doorlichten.” Op basis van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt de klachtencommissie vast dat klager betwistte dat hij een doodsbedreiging geuit had. Klager gaf aan het beu te zijn met de manier waarop hij zou worden behandeld door het personeel. De advocaat van klager meende dat het tuchtdossier niet volledig was, dat het RAD niet zorgvuldig werd opgesteld en dat de orde en de veiligheid op geen enkel moment in gedrang zijn gekomen. De raadsman van klager vroeg om geen sanctie op te leggen. Klager werd wegens de bedreiging van het personeel tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtrechtelijke inbreuk van eerste categorie. De directie heeft zich voor het bewezen verklaren van de feiten enkel gesteund op de vaststellingen van haar personeel. De klachtencommissie meent dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien heeft een directielid het RAD ondertekend als getuige.

Ondanks het feit dat de datum van de tuchtrechtelijke hoorzitting niet werd ingevuld op de mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure, was klager aanwezig op de zitting, tijdens dewelke hij werd bijgestaan door zijn advocaat en heeft hij zijn opmerkingen kunnen geven. De klachtencommissie meent dat de omstandigheid dat klager voorafgaand aan de tuchtrechtelijke hoorzitting geen kopie zou hebben gekregen van zijn tuchtregister, geen afbreuk doet aan zijn recht van verdediging. Het tuchtregister bevat immers geen informatie die relevant is met betrekking tot het bewezen zijn van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van een tuchtsanctie. Daar waar het tuchtregister wel info bevat die een invloed kan hebben op de omvang van de opgelegde tuchtsanctie dient in casu te worden vastgesteld dat in de tuchtbeslissing niet werd verwezen naar eerder opgelopen tuchtsancties en deze dus geen rol hebben gespeeld bij de bepaling van de tuchtsanctie. Klager preciseert in zijn klacht niet wat er fout zou zijn aan zijn tuchtregister. En zelfs zo het tuchtregister fouten zou bevatten is dit van geen belang nu eventueel eerder opgelegde tuchtsancties niet werden betrokken bij het vaststellen van de tuchtsanctie.

Tot slot wat de tuchtsanctie betreft; voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan maximaal dertig dagen ATV opgelegd worden zodat de tuchtsanctie van 21 dagen ATV wettig was. Bovendien is de tuchtsanctie niet onredelijk of onbillijk gelet op de ernst van de feiten. Om deze redenen is de klacht ongegrond.