TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken, naar aanleiding van de vondst van een weegschaal, een smartphone, twee opladers, scheermesjes en een L-bithouder tijdens een celcontrole. Klager werd gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager, net zoals in zijn klacht, ontkende dat de gevonden spullen van hem waren. Volgens klager is zijn tuchtrechtelijk verleden (waaronder het bezit van een smartphone) geen bewijs dat de gevonden spullen van hem zijn. De directie acht zijn verklaring, gelet op zijn tuchtrechtelijk verleden, ongeloofwaardig. De klachtencommissie is van oordeel dat er geen betwisting bestaat over het feit dat er in de cel waar klager al een ruime twee maanden alleen verbleef, een gsm werd gevonden. De klachtencommissie stelt verder vast dat er op het moment dat klager de cel betrok, namelijk op 07.08.2024, een grondige celcontrole gebeurde. Toen werd er geen melding gemaakt omtrent de intercom. Volgens de Basiswet is het bezit van technologische middelen op zich al een inbreuk, zonder dat het gebruik bewezen moet zijn. De klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 25 dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de drie eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen wegens het bezit van een gsm. Klager lijkt dus hardleers.
Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken, naar aanleiding van de vondst van een weegschaal, een smartphone, twee opladers, scheermesjes en een L-bithouder tijdens een celcontrole. Klager werd gehoord door de directie. De klachtencommissie stelt aan de hand van het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting vast dat klager, net zoals in zijn klacht, ontkende dat de gevonden spullen van hem waren. Volgens klager is zijn tuchtrechtelijk verleden (waaronder het bezit van een smartphone) geen bewijs dat de gevonden spullen van hem zijn. De directie acht zijn verklaring, gelet op zijn tuchtrechtelijk verleden, ongeloofwaardig. De klachtencommissie is van oordeel dat er geen betwisting bestaat over het feit dat er in de cel waar klager al een ruime twee maanden alleen verbleef, een gsm werd gevonden. De klachtencommissie stelt verder vast dat er op het moment dat klager de cel betrok, namelijk op 07.08.2024, een grondige celcontrole gebeurde. Toen werd er geen melding gemaakt omtrent de intercom. Volgens de Basiswet is het bezit van technologische middelen op zich al een inbreuk, zonder dat het gebruik bewezen moet zijn. De klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 25 dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is bovendien van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de drie eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen wegens het bezit van een gsm. Klager lijkt dus hardleers.
Om deze redenen is de klacht ongegrond. De tuchtbeslissing blijft bestaan.