Ga verder naar de inhoud

KC10/24-0152

Ongegrond Gegrond Onontvankelijk KC - Hasselt Klachtencommissie Voorlopige maatregel Bijzondere veiligheidsmaatregel Geen beslissing directeur Individueel bijzonder veiligheidsregime Fouille op het lichaam
VORM - VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - BEVEILIGDE CEL - GEEN BESLISSING VAN DE DIRECTEUR - BEVOEGDHEID

Wat betreft de naaktfouilles van 16.10.2024 tot en met 24.10.2024:
Klager heeft op haar klachtenformulier in eerste instantie de categorie fouillering op lichaam (naaktfouille) aangekruist en daarbij als datum vermeld 16/10/2024 t.e.m 24/10/2024. Klager komt
hier verder in haar klacht niet meer op terug. De klachtencommissie nam kennis van de dossierstukken die de directie bezorgde. De dossierstukken bevatten geen beslissingen tot het opleggen van een naaktfouille. De klachtencommissie stelt enkel vast dat klager in het kader van de plaatsing in de beveiligde cel onderzocht werd aan haar kledij, doch dit is geen naaktfouille. De klachtencommissie heeft dit nagevraagd bij het klachtenbureau en het klachtenbureau deelde op 05.12.2024 mee dat er in het dossier van klager niets werd teruggevonden over een fouille.
De klachtencommissie besluit dat er geen naaktfouilles hebben plaatsgevonden in de opgegeven periode waardoor deze klacht kennelijk niet-ontvankelijk is.

Wat betreft de voorlopige maatregel van 24.10.2024 en de daaropvolgende BVM van 26.10.2024:
Op 24.10.2024 werd een rapport aan de directeur (RAD) opgemaakt over klager. Uit dit RAD blijkt dat klager in de voormiddag van 24.10.2024 werd overgebracht naar de beveiligde cel omdat ze
zich verbaal agressief en dreigend opstelde naar het personeel waardoor de orde en de veiligheid op de afdeling in het gedrang kwam. Klager sloeg onder andere haar celdeur dicht waardoor de
beambte moest wegspringen, klager schreeuwde, beledigde de beambten en kwam dreigend over. De directie was van oordeel dat klager zowel de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had
aangetast alsook dat zij een gevaar was voor de orde en de veiligheid. Naast de plaatsing in de beveiligde cel (artikel 112, §1, 5°) werden ook nog gevaarlijke voorwerpen ontnomen, werd klager
uitgesloten van deelname aan niet nader gespecificeerde individuele of gemeenschappelijke activiteiten en werd zij overdag en tijdens de nacht geobserveerd (artikel 112, §1, 1°, 2° en 3°).

De klachtencommissie stelt vast dat de directie niet bijkomend heeft gemotiveerd waarom het noodzakelijk was dat klager ook werd uitgesloten van deelname aan gemeenschappelijke of individuele activiteiten tijdens haar verblijf in de beveiligde cel. Voorts meent de klachtencommissie dat de feiten, vermeld in het RAD en die aanleiding hebben gegeven tot het plaatsen in de beveiligde cel, gekwalificeerd kunnen worden als tuchtrechtelijke inbreuken van eerste en tweede categorie, namelijk de bedreiging van de fysieke integriteit, de aantasting van de psychische integriteit, het beledigen van personen en het veroorzaken van lawaaihinder.

Na het opleggen van de voorlopige maatregel werd echter beslist om de procedure BVM op te starten, zoals ook blijkt uit het RAD. Klager werd op 26.10.2024 in dat kader gehoord en op
26.10.2024 werd door de directeur een BVM opgelegd van 26.10.2024 tot en met 01.11.2024. In die tijd werden haar scherpe en gevaarlijke voorwerpen ontnomen, werd zij uitgesloten van deelname
aan gemeenschappelijke activiteiten, diende zij verplicht te verblijven in een monocel of in de beveiligde cel indien nodig.

De klachtencommissie merkt ten overvloede op dat bij de berekening van de duurtijd van de BVM (26.10.2024 – 01.11.2024), ten onrechte geen rekening werd gehouden met de periode die klager
reeds had doorgebracht onder voorlopige maatregel sinds 24.10.2024 waardoor klager de facto langer dan zeven dagen de bijzondere veiligheidsmaatregelen moest ondergaan.
Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de voorlopige maatregel van 24.10.2024, gevolgd door de BVM van 26.10.2024 tot en met 01.11.2024, onwettig waren. De directie had, conform de Basiswet, na de voorlopige maatregel de tuchtprocedure verder moeten doorlopen, met inbegrip van de garanties zoals het recht op bijstand van een advocaat. Indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, kon toen alsnog een BVM opgelegd worden.
Om deze reden is de klacht tegen de voorlopige maatregel van 24.10.2024 en het opleggen van de BVM op 26.10.2024, kennelijk gegrond.

Wat betreft de verlengingen van de BVM:
Uit de dossierstukken blijkt dat op 31.10.2024, op 08.11.2024 en op 14.11.2024 door de directeur telkens werd beslist om de BVM te verlengen. De klachtencommissie nam ook kennis van een verslag van de PSD-psychiater over klager waarin hij stelt dat er sprake is van een waanstoornis. De klachtencommissie besluit dat klager conform de Basiswet telkens werd gehoord alvorens de directeur de beslissing nam om de BVM te verlengen, dat de BVM conform de Basiswet werd verlengd omdat blijkt dat er nog steeds sprake was van ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde of de veiligheid en dat de opgelegde en verlengde bijzondere veiligheidsmaatregelen proportioneel waren. Om deze reden is de klacht tegen de verlengingen van de BVM kennelijk ongegrond.

Wat betreft de IBVR:
De klachten van klager zijn ook gericht tegen de beslissing om klager onder een individueel bijzonder veiligheidsregime (IBVR) te plaatsen. Een dergelijke beslissing wordt niet genomen door de lokale gevangenisdirecteur maar door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie. Tegen deze beslissing kan enkel beroep aangetekend worden bij de Beroepscommissie.
Deze klacht valt dus niet onder de bevoegdheid van de klachtencommissie waardoor deze kennelijk niet-ontvankelijk is.

Wat betreft de overige klachten:
Tot slot is een groot deel van de klachten van klager gericht tegen haar vrijheidsberoving. Zij meent dat haar veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf onterecht is. De vrijheidsberoving van klager
is echter het gevolg van een rechterlijke uitspraak en niet van een beslissing van de directeur. Deze klacht valt bijgevolg ook buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie waardoor deze ook
kennelijk niet-ontvankelijk is.