TUCHT
Klager werd op 22/02/2026 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de twee rapporten duidelijk werden opgesteld. Klager werd door twee verschillende beambten formeel herkend als degene die slagen in het gezicht van een medegedetineerde heeft uitgedeeld. Uit de twee rapporten blijkt dat minstens vier beambten van het personeel getuige waren van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager stelt in zijn klacht enkel dat hij niet akkoord was, zonder verdere verduidelijking waarom precies. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten en het uitgebreide tuchtregister van klager. De klachtencommissie stelt vast dat overeenkomstig artikel 145, § 3 van de Basiswet de in afwachting van de tuchtprocedure genomen voorlopige maatregel in mindering werd gebracht van deze tuchtsanctie.
Klager werd op 22/02/2026 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat de twee rapporten duidelijk werden opgesteld. Klager werd door twee verschillende beambten formeel herkend als degene die slagen in het gezicht van een medegedetineerde heeft uitgedeeld. Uit de twee rapporten blijkt dat minstens vier beambten van het personeel getuige waren van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Klager stelt in zijn klacht enkel dat hij niet akkoord was, zonder verdere verduidelijking waarom precies. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten en het uitgebreide tuchtregister van klager. De klachtencommissie stelt vast dat overeenkomstig artikel 145, § 3 van de Basiswet de in afwachting van de tuchtprocedure genomen voorlopige maatregel in mindering werd gebracht van deze tuchtsanctie.